Hoofdpunten

  • Matig risico op non-betaling voor landen die deel uitmaken van het monetair akkoord van de CEMAC.
  • Sterke daling van de olieprijzen (2014-2016) en meer onveiligheid putten de liquiditeitsbuffers uit en doen angst voor devaluatie toenemen.
  • Verschillende pogingen om de macro-economische situatie van de CEMAC te helpen stabiliseren.
  • Nog steeds broze vooruitzichten door ondermaatse groei in de niet-oliesector, niet-naleving van de hervormingen en een recente sterke daling van de olieprijzen.

CEMAC als onderdeel van de CFA-frankzone

De monetaire unie van de CFA-frank omvat 14 Sub-Sahara-Afrikaanse landen (en de Comoren). Die landen zijn onderverdeeld in de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie (WAEMU) en de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC). Deze studie focust op de laatste van deze twee. De lidstaten van de CEMAC zijn Kameroen, de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), Tsjaad, Equatoriaal-Guinea, Gabon en de Democratische Republiek Congo. De CFA-frank (XOF en XAF) was tot januari 1999 gekoppeld aan de Franse frank. Nadien werd de euro de ankervaluta. In 1948 en 1960 werd de CFA-frank gedevalueerd, en na de laatste devaluatie (met 50%) in 1994, werd de huidige waarde van 655,95 CFA-frank voor 1 euro vastgelegd. De monetaire samenwerking met Frankrijk stoelt op 4 beginselen: onbeperkte converteerbaarheid gegarandeerd door het Agence France Trésor, een vaste wisselkoers, vrije overdraagbaarheid binnen de regio en de centralisatie van de buitenlandsedeviezenreserves bij de Bank van Centraal-Afrikaanse Staten (BEAC) waarvan de helft op operationele rekeningen bij het Agence France Trésor moet staan. In lopende handelstransacties is het risico op non-betaling door overdrachtsproblemen of deviezenschaarste dus matig voor landen die deel uitmaken van een dergelijk monetair akkoord. Bovendien heeft een geloofwaardig monetair beleid er mee voor gezorgd dat de inflatie jarenlang onder controle bleef.

Afhankelijk van olie en te weinig liquide middelen

De sterke daling van de olieprijzen tussen 2014 en 2016 (zie grafiek 2) in combinatie met de verslechterende veiligheidssituatie (i.e. het conflict in CAR en de regio rond het Tsjaadmeer) bracht de macro-economische stabiliteit van de CEMAC aan het wankelen. De gemeenschap bestaat immers (behalve CAR) uit economieën die sterk afhankelijk zijn van ontvangsten uit de olie-export. Het kwam tot grote budgettaire en externe onevenwichten en de meeste landen deden een beroep op hun deposito’s bij de BEAC om hun betalingsbalans te financieren. Daardoor namen de gezamenlijke deviezenreserves bij de BEAC in nominale waarde af met een forse 73% sinds eind 2013. En zo dekten ze tegen eind 2017 nog slechts 2,4 maanden import. Dit volstaat niet als buffer om de valutakoppeling te behouden. De alarmdrempel van het IMF is momenteel immers vastgelegd op 5 maanden importdekking. Grafiek 1 toont de buitengewone daling in CEMAC-reserves. Daardoor nam zowel het risico op een liquiditeitscrisis toe, als de vrees voor een devaluatie van de CFA-frank.

De CEMAC-leden verwierpen daarop eind 2016 gezamenlijk de optie van een devaluatie en uitten hun wil om de koppeling te behouden op het huidige niveau. De lidstaten stemden ermee in om zich voortaan, in ruil voor aanzienlijke financiële steun, te engageren in consolidatieprogramma’s van het IMF om als regio een alomvattend antwoord te bieden op de crisis. Er worden niet alleen inspanningen gedaan naar begrotingsconsolidatie toe, maar men streeft ook naar hervormingen in het beheer van de reserves bij de BEAC om dit beter af te stemmen op de vereisten van de samengevoegde reserves. Vóór de instorting van de olieprijzen werd een groot deel van de deviezenreserves immers aangehouden buiten de CEMAC.

Equatoriaal-Guinea, Congo en Gabon werden het zwaarst getroffen door de oliecrisis. Hun olie-export zorgde in 2014 immers nog voor respectievelijk 97%, 86% en 78% van hun totale ontvangsten in buitenlandse deviezen. Tsjaad en Congo worden beschouwd als zijnde ‘in een schuldencrisis’ aangezien ze in gebreke blijven voor hun buitenlandse overheidsschulden. Gabon en Equatoriaal-Guinea hebben op hun beurt dan weer aanzienlijke betalingsachterstallen opgestapeld. De meeste lidstaten sloten zich vrij snel aan bij een IMF-stabilisatieprogramma, behalve Equatoriaal-Guinea (waar een voorbereidend programma werd opgestart dat op korte termijn kan resulteren in een echt IMF-steunprogramma) en Congo (waar er nog over het programma onderhandeld wordt). Zolang deze twee landen geen consolidatie en hervormingen doorvoeren, zal duurzame regionale stabilisatie moeilijk blijven. Voorheen droegen Equatoriaal-Guinea en Congo samen met Kameroen zelfs het meest bij tot de buitenlandsedeviezenreserves, maar sinds 2017 zijn hun reserves zo goed als uitgeput (zie grafiek 1). Vandaag levert Kameroen veruit de grootste bijdrage tot de gezamenlijke reserves. Hun economie is de meest gediversifieerde en de hervormingen werden er over het algemeen naar behoren doorgevoerd.

Vooruitzichten voor de CEMAC

Hoewel de liquide middelen nog lang niet de vereiste drempels halen, wordt toch verwacht dat een devaluatie vermeden kan worden omdat de koppeling van de CFA-frank in essentie haar geloofwaardigheid te danken heeft aan het feit dat men altijd kan terugvallen op ‘onbeperkte voorschotten’ van het Agence France Trésor en op het solidariteitsmechanisme van de gezamenlijke reserves. Bovendien zijn de reserves sinds midden 2017 wat gestabiliseerd. Dit is te danken aan de inspanningen voor begrotingsconsolidatie die onder de programma’s werden gedaan, een verbetering van de internationale olieprijzen en de geleidelijke eliminatie van wettelijk opgelegde vooruitbetalingen door de BEAC. De strengere kapitaal- en repatriëringsvereisten zijn onontbeerlijk om de reserves beter te centraliseren en een kapitaalvlucht te voorkomen, maar op korte termijn kan de invoering wel zorgen voor zwaardere administratieve procedures bij banken en voor tijdelijke betalingsachterstallen.

Het bbp wordt verwacht in 2018 slechts lichtjes te groeien (1,3%) na twee jaar van recessie (-1,1% in 2016 en -0,2% in 2017), maar in 2019 zou de groei dan wel weer 2,9% kunnen halen als men erin slaagt om de niet-oliegerelateerde groei te verstevigen. In feite wordt verwacht dat de olieproductie van de CEMAC geleidelijk aan zal afnemen en dat het cruciaal zal zijn om te investeren in economische diversificatie naar andere sectoren dan olie. Bovendien zou de zeer recente forse daling van de internationale olieprijzen sinds oktober 2018 (zie grafiek 2) een reëel gevaar kunnen worden voor de regio. Als deze neerwaartse trend zich doorzet, zou dit de algemene macro-economische stabiliteit van de CEMAC op het spel kunnen zetten. Deze keer heeft de regio immers geen liquiditeitsbuffer achter de hand. De economische vooruitzichten voor de CEMAC blijven dan ook zwak, hoewel er wel wat vooruitgang geboekt is sinds het dieptepunt van de crisis in 2016.

Analist: Louise Van Cauwenbergh – l.vancauwenbergh@credendo.com