De scherpe daling van de olieprijs in 2014 dwong de landen van de Gulf Cooperation Council (GCC) om hun economie te hervormen en hun sociale contract te herzien. Sommige landen hebben al ingrijpende hervormingen doorgevoerd en hun afhankelijkheid van olie verminderd, maar het tempo van de hervormingen en de inspanningen voor economische diversifiëring verschillen van land tot land.

Hoofdpunten:

  • De ineenstorting van de olieprijs in 2014 was een schok voor alle GCC-landen.
  • Ze hebben gemengde economische prestaties neergezet afhankelijk van de wijze waarop ze gereageerd hebben.
  • Na de hoge overheidsuitgaven tijdens de boom van de olie-inkomsten was de aanpassing aan de val van de olieprijzen niet gemakkelijk.
  • Vooral Oman en Bahrein hebben moeite om hun begroting te consolideren.
  • In alle landen werd de consolidatie vooral geïmplementeerd door in de uitgaven te snoeien. Het genereren van inkomsten blijft beperkt.
  • In de meeste landen heeft de diversifiëring van de economie nog een lange weg te gaan en spreken we over een proces van lange adem.
  • Het blijft afwachten of men het tempo van de hervormingen zal kunnen blijven aanhouden als de recente stijging van de olieprijzen blijft duren.
  • De spanningen in de regio zijn toegenomen en hebben met de boycot van Qatar tot een breuk binnen de GCC geleid.

Inleiding

De Gulf Cooperation Council is een groep van zes olie-exporterende landen: Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). In 1981 vormden ze een regionale politieke en economische intergouvernementele unie. Deze unie wil de economische banden tussen haar leden versterken. In 2008 ging een gemeenschappelijke markt van start en begonnen de onderhandelingen over de invoering van een eenheidsmunt.

De economie en de bestuursvorm van de zes landen vertonen punten van overeenkomst. De verschillen zijn evenwel mettertijd groter geworden, vooral sinds de ineenstorting van de olieprijzen in 2014, die een sterk negatief effect had op de economie en op de buitenlandse en publieke schuld. Terwijl Qatar en de VAE de daling van de olieprijs vrij goed hebben opgevangen, ondervinden Oman en Bahrein problemen om hun begroting substantieel te consolideren.

Momenteel zien we de regionale spanningen in de bredere MENA-regio toenemen, terwijl de boycot van Qatar tot een breuk binnen de GCC heeft geleid.

Dit artikel geeft een overzicht van de economische situatie in de landen van de GCC met een focus op de overheidsfinanciën sinds de boom van de olieprijs in 2009, en overloopt de uitdagingen waarmee de landen momenteel worden geconfronteerd.

Van boom naar bust

Het snelle herstel van de olieprijzen (na hun steile duik in 2008) had een zeer positieve impact op het begrotingsevenwicht en de betalingsbalans van alle zes de landen. De olieprijzen bleven hoog tot ze eind 2014 plots instortten (in dit artikel verwijzen we naar de periode van 2009 tot eind 2014 als de 'boom van de olieprijs'). Zoals grafiek 1 toont, bedroeg de olieprijs van medio 2009 tot eind 2014 gemiddeld 95,3 USD en daalde hij in de periode die volgde naar gemiddeld 50,3 USD. Hoewel de olieprijs opnieuw begon te stijgen in mei 2018, blijft het afwachten of deze stijging zich zal doorzetten.


De hoge olieprijs resulteerde in grote overschotten op de lopende rekening en de begroting.

Grafiek 2 toont hoe de overheidsinkomsten tijdens de boom van de olieprijs met ongeveer 50% stegen tegenover 2006. De groei van de overheidsinkomsten leidde echter ook tot een gestage toename van de overheidsuitgaven. De meeste landen gebruikten de buitenkans van de olieprijzen immers om hun sociale zekerheid uit te breiden, de overheidstewerkstelling te verhogen en grootschalige investeringsprogramma's te lanceren. Daarnaast stegen de overheidsuitgaven ook als gevolg van de sterke bevolkingsgroei in de regio.

Twee belangrijke onderliggende factoren speelden een rol in de stijging van de overheidsuitgaven. Ten eerste de vrees voor overloopeffecten van de Arabische Lente van 2011 en ten tweede het ontbreken van een begrotingskader op (middel)lange termijn. Hoewel Bahrein het enige lid van de GCC was waar grootschalige onlusten uitbraken, vreesden de koningen en emirs van de andere GCC-landen dat de protesten naar hun land zouden overslaan. Daarom reageerden vrijwel alle landen door de transfers naar hun bevolking te verhogen. Een tweede element is dat vrijwel geen enkele regering van de GCC tijdens de boom van de olieprijs een begrotingskader op (middel)lange termijn had ingevoerd. De uitgaven gebeurden voornamelijk op jaarbasis, zonder streefdoelen op meerdere jaren. Bijgevolg kende het aandeel van de overheid in de economie in de meeste GCC-landen een beduidende groei tijdens de boom van de olieprijs.

Ondanks de stijgende openbare uitgaven tijdens de boom van de olieprijs bleven de overheidsoverschotten in de meeste landen echter hoog. Ze werden gebruikt om staatsbeleggingsfondsen (Sovereign Wealth Funds) en de door de centrale banken aangehouden internationale deviezenreserves te spijzen. Vooral Qatar, de VAE en Koeweit breidden hun staatsbeleggingsfondsen aanzienlijk uit. Oman deed dat ook, zij het in mindere mate. Saudi-Arabië versterkte vooral zijn bruto internationale deviezenreserves. Bahrein boekte tijdens de boom van de olieprijs geen begrotingsoverschot, omdat de overheidsuitgaven sneller stegen dan de inkomsten. De protesten van de Arabische Lente die uitbraken in Bahrein en de repressie die erop volgde, speelden daar een rol in.

De boom van de olieprijs leidde uiteraard tot grote overschotten op de lopende rekening. Het globale overschot op de lopende rekening piekte in 2012 (op 390 miljard USD). In dezelfde periode kende ook de import – gestimuleerd door hoge overheidsinvesteringen – een forse groei. Zo stegen in Saudi-Arabië de totale betalingen op de lopende rekening jaarlijks met ongeveer 10% in de periode 2010-2014, voornamelijk als gevolg van de sterke groei van de import van goederen.

Toen de olieprijs eind 2014 instortte, was dat een enorme schok voor alle economieën van de GCC. De totale overheidsinkomsten van de GCC daalden in 2015 met bijna 35% en het hoge begrotingsoverschot sloeg om in een tekort van 33,86 miljard USD.

Om dat grote tekort te financieren, deden de meeste landen in 2015 aanvankelijk een beroep op binnenlandse middelen. Ze gebruikten hun internationale deviezenreserves, trokken deposito's bij lokale banken terug en gaven lokale obligaties uit. Vanaf 2016 kwam de financiering grotendeels uit buitenlandse bronnen. Zo verscheen Saudi-Arabië in oktober 2016 voor het eerst op de internationale obligatiemarkten met een lening van 17,5 miljard USD. Tot dan toe had het land vooral zijn reserves gebruikt. Alle andere landen van de GCC hebben eveneens internationale obligaties uitgegeven. Daarnaast heeft Oman bijvoorbeeld leningen onderhandeld met China, de voornaamste afnemer van zijn olie.

Gemengde beleidsrespons op de instorting van de olieprijs

De instorting van de olieprijs dwong de economieën om hun economische model te herzien en een ingrijpende begrotingsconsolidatie door te voeren. In de meeste landen kwam diversifiëring weer hoog op de agenda te staan. Toch waren er ook grote verschillen in de respons op de lagere olieprijs.

In Qatar en de VAE leverde de regering beduidende inspanningen om de begroting te consolideren. Dit beperkte het overheidstekort na de val van de olieprijzen tot minder dan 4% van het bbp. Vergeleken met de andere GCC-landen waren deze twee beter geplaatst om de instorting van de olieprijzen op te vangen, omdat hun economie al relatief meer gediversifieerd was en ze sterke buffers hadden opgebouwd. De VAE gebruikten bijvoorbeeld een gedeelte van de activa van hun staatsbeleggingsfonds om hun begrotingstekort te financieren.

Oman en Bahrein reageerden veel minder goed op de val van de olieprijzen, omdat hun regering een passieve houding aannam. Oman had tijdens de boom van de olieprijs slechts een bescheiden begrotingsoverschot gekend, dat na de val in een fors tekort omsloeg. Het piekte in 2016 op 22,4% van het bbp. Bahrein verkeerde in hetzelfde geval: de regering had tijdens de boom van de olieprijs zelfs een tekort geboekt, dat na de val van de prijzen tot in de twee cijfers opliep.

In Saudi-Arabië zagen we een zeer trage beleidsreactie. Eerst bleef de regering passief en vertrouwde ze vooral op haar internationale deviezenreserves om het dubbele tekort te financieren, maar in 2016 formuleerde ze een duidelijke strategie onder impuls van de pas benoemde kroonprins Muhammad Bin Salman (M.B.S.).

In alle landen leidde de crisis tot een hogere overheidsschuld en grotere buitenlandse schulden. Dit was vooral het geval in Bahrein, dat geen reserves had opgebouwd. Het begrotingstekort bedroeg 18,4% van het bbp in 2015 en was nog altijd 13,2% in 2017. Dit leidde tot een verdubbeling van de verhouding overheidsschuld-bbp tussen eind 2014 (44%) en eind 2017 (90%). Er wordt verwacht dat de overheidsschuld in de komende jaren verder zal stijgen en einde 2020 111% van het bbp zal bereiken.

De verslechtering van de overheidsfinanciën en de opbouw van de buitenlandse schuld leidden sinds de val van de olieprijzen tot een verlaging met ten minste één graad in de classificatie van het politieke risico op middellange/lange termijn (zie grafiek 3). Oman is sindsdien zelfs met drie graden verlaagd (één graad per jaar sinds 2015) en Bahrein verloor in 2016 twee graden.

De landen van de GCC consolideerden hun begroting voornamelijk door te snoeien in de uitgaven, terwijl het opwekken van inkomsten beperkt bleef. De huidige consolidatie-inspanningen in de regio sluiten dus aan bij die van in de jaren 1980 en 1990, die ook altijd focusten op de verlaging van de overheidsuitgaven en minder op het genereren van inkomsten. In het verleden had dat vooral te maken met de onderontwikkeling van het belastingsysteem en de kleine belastingbasis, die het moeilijk maakten om de belastinginkomsten te verhogen. Deze twee factoren spelen nog altijd mee, zij het in mindere mate.

In alle GCC-landen werden de lonen van ambtenaren en werknemers op de ene of andere manier bevroren. Alle landen verlaagden ook hun energiesubsidies, maar alleen de VAE schafte ze volledig af. Er was ook een impact op de overheidsinvesteringen in de regio, waarbij een groot aantal projecten met lage prioriteit op de waakvlam werden gezet. Aan de kant van de inkomsten waren de maatregelen beperkter. De beslissing om in de GCC een algemene belasting op de toegevoegde waarde (btw) in te voeren, was een positieve ontwikkeling. Het plan is dat deze belasting van 5% in alle GCC-landen zal worden ingevoerd. Saudi-Arabië en de VAE waren de eersten die ze in januari 2018 implementeerden. Tegen begin 2019 zouden de andere landen moeten volgen. Maar hoewel dit een betekenisvolle ontwikkeling is voor een regio met een eigenaardige relatie met belastingen, zijn er nog altijd een aantal achterpoortjes en uitzonderingen die de opbrengst van de btw dreigen te beperken. Een andere maatregel om budgettaire inkomsten te genereren, is de beslissing om een aantal staatsbedrijven te privatiseren. Vooral in Saudi-Arabië staat dit hoog op de agenda. Het land is van plan om aandelen in een groot aantal staatsbedrijven te verkopen, ook in Aramco, de nationale oliemaatschappij.

Als gevolg van de grote omvang van de overheid in de GCC-landen en de dominantie daarvan in de economie, heeft de begrotingsconsolidatie een sterkere impact op de groei van het bbp dan in andere landen. Dat komt omdat de economische groei in het algemeen maar vooral in de niet-oliesector meer met de overheidsuitgaven gecorreleerd is dan elders. Terwijl de groei tijdens de olieboom ongeveer 5% bedroeg, viel hij met meer dan de helft terug, tot 2,2% in de periode 2015-2017. In Oman en Bahrein is de groei slechts licht gedaald, omdat de begrotingsconsolidatie er zeer beperkt bleef.

Diversifiëring en bijkomende hervormingen zullen tijd kosten

Hoewel economische diversifiëring weer hoog op de agenda staat, zal het nog lang duren voor die diversifiëring en andere hervormingen de economie in de regio structureel zullen veranderen en de zes landen beduidende alternatieve bronnen van inkomsten zullen opleveren.

Als we naar de ontvangsten uit koolwaterstoffen als aandeel van de overheidsinkomsten kijken, zien we dat die tijdens de boom van de olieprijs in Bahrein, Koeweit, Oman en Saudi-Arabië meer dan 80% van de totale overheidsinkomsten vertegenwoordigden (zie grafiek 5). De afgelopen drie jaar bedroegen ze nog altijd ongeveer 65% van de totale inkomsten, wat aantoont dat de ontwikkeling van alternatieve bronnen van inkomsten nog een lange weg te gaan heeft. De VAE en vooral Qatar hebben in dat opzicht beter gepresteerd. Tijdens de boom van de olieprijs vertegenwoordigden de opbrengsten van koolwaterstoffen gemiddeld respectievelijk 72% en 60% van hun overheidsinkomsten. In de drie jaar na het eind van de boom daalde dat naar gemiddeld 50% voor de VAE en 40% voor Qatar.

Als we naar de ontvangsten op de lopende rekening kijken, zien we dat in Koeweit, Oman, Qatar en Saudi-Arabië zelfs met de lagere olieprijs de ontvangsten uit koolwaterstoffen nog altijd ongeveer 60% van de totale exportontvangsten vertegenwoordigen. Enkel Bahrein en de VAE doen hier beter. Olie en gas vertegenwoordigen respectievelijk 15% en 32% van hun totale ontvangsten op de lopende rekening. Voor de vier eerste landen toont dit aan dat olie in de volgende jaren de belangrijkste motor van de betalingsbalans zal blijven. Het feit dat de inkomsten uit olie een groot aandeel van de budgettaire inkomsten van Bahrein vormen maar slechts een klein gedeelte van de ontvangsten op de lopende rekening, is het gevolg van de relatief kleine omvang van de overheid in dat land. Het is in dat opzicht een uitzondering tegenover de andere leden van de GCC. Toch leidt de relatieve diversificatie van Bahrein momenteel niet tot significante budgettaire inkomsten uit andere bronnen dan olie.

Het is ook de vraag op welke sectoren de landen zullen focussen in hun poging om hun economie te diversifiëren. De twee beste leerlingen van de klas in termen van diversifiëring, Qatar en de VAE, hebben zwaar geïnvesteerd in infrastructuur. Beide landen hebben hun havencapaciteit beduidend uitgebreid. De VAE is daardoor een belangrijk regionaal handelsknooppunt geworden. Ook Qatar heeft daar veel in geïnvesteerd en het heeft zijn banksector uitgebreid. Bahrein had dankzij zijn offshore status het meeste succes met de ontwikkeling van zijn banksector. Zowel Bahrein als Qatar en de VAE trachten hun dienstensector te versterken. Nog voor de boom van de olieprijs was een van de belangrijkste alternatieve sectoren die in Saudi-Arabië werden ontwikkeld die van de chemie, met olie en gas als voornaamste grondstof, zoals we in maart hebben uiteengezet. Aangezien koolwaterstoffen nog altijd de belangrijkste grondstof zijn, blijft er een sterke correlatie bestaan tussen de prijs van de export en de olieprijs, en zijn de ontvangsten uit de export dus afhankelijk van de olieprijs. Met zijn recente diversifiëringsplan wil de Saudische kroonprins de focus verplaatsen naar de dienstensector, de mijnbouw in het land uitbreiden, het toerisme ontwikkelen en een momenteel onbestaande binnenlandse entertainmentindustrie in het leven roepen. Oman heeft eveneens verklaard dat het de toerisme- en mijnbouwsectoren wil ontwikkelen. De vraag is of deze sectoren voldoende exportontvangsten zullen opleveren om het belang van olie voor die landen te verminderen.

De bijkomende hervormingen zullen moeten focussen op een aanpassing van de rol van de overheid in de economie, als werkgever en ook als dienstverlener. Momenteel tracht de bevolking in de meeste van deze landen banen bij de overheid te vinden, aangezien de openbare sector hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden biedt dan de privésector. Bijgevolg is de bevolking minder bereid om in de privésector te werken, zodat vaak alle ambtenaren staatsburgers en vrijwel alle werknemers in de privésector buitenlanders zijn. Zo werkt in Saudi-Arabië twee derde van de bevolking in de publieke sector, en liggen hun lonen dus gemiddeld meer dan 150% hoger dan in de privésector. Het IMF schat dat dit surplus in andere GCC-landen zelfs nog groter is (245% in Koeweit, 229% in Bahrein). Bovendien gebruikt de overheid banen in de openbare sector vaak als een manier om in bepaalde streken een hoge werkloosheid te beperken, een beleid dat in de praktijk niet werkt. Bijgevolg spendeert de regio een onevenredig deel van zijn overheidsinkomsten aan overheidslonen, terwijl de kwaliteit van openbare diensten zoals gezondheidszorg en onderwijs beduidend lager blijft dan in vergelijkbare landen.

Druk op het sociale contract

De GCC-regio zal erin moeten slagen te hervormen zonder protesten bij de bevolking uit te lokken. Tot nu toe wordt de politieke toestand gekenmerkt door beperkte politieke vrijheden in een bloeiende welvaartstaat met grote transfers en vrijwel geen belastingen. Een hervorming van dit 'sociale contract' dreigt protesten te veroorzaken, vooral in Koeweit, Oman en Saudi-Arabië. Dit is vooral een risico omdat in een aantal van deze landen al ongenoegen bestaat over de vaak hoge jeugdwerkloosheid, corruptie en het gebrek aan sociale en politieke vrijheden.

In Oman zien we dat de hervormingen ondanks hun zeer beperkte schaal al tot protesten hebben geleid, met een focus op de hoge werkloosheid en de frustratie over de corruptie. Deze protesten baren de regering zorgen, vooral omdat het land binnenkort een leiderschapstransitie tegemoet gaat. Het gevaar bestaat dat de regering het al trage tempo van de hervormingen verder zal afremmen of de hervormingen zelfs op de lange baan zal schuiven. Ook in Koeweit aarzelt de regering uit vrees voor protesten om ingrijpende hervormingen door te voeren. Daarnaast moet de regering in Koeweit rekening houden met een parlement dat wordt gedomineerd door volkspartijen met een kritische houding tegenover veel van de voorgestelde hervormingen, zodat ze overdreven behoedzaam te werk gaat. Zo werden in 2016 de prijsstijgingen van water en energie beperkt tot de bedrijven en buitenlandse ingezetenen. De regering heeft bovendien in het verleden beloofd om geen persoonsbelastingen in te voeren.

Het gevaar bestaat dat een toenemend verzet van de bevolking een land zal doen afzien van het opleggen van hervormingen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Saudi-Arabië, waar de besparingen van september 2016 op de financiële uitkeringen van ambtenaren en militairen in april 2017 ongedaan werden gemaakt. De besparingen waren zeer onpopulair bij de bevolking en leidden zelfs tot oproepen tot betogingen, die in dat land zeldzaam en verboden zijn. Toch houdt M.B.S. vast aan zijn plan voor de hervorming van de Saudische economie. Om de hervormingen aanvaardbaarder te maken voor de bevolking, lijkt hij ervoor te kiezen de in het verleden streng aan banden gelegde sociale vrijheden te verruimen. In dat licht moeten we zijn beteugeling van de zeer gehate religieuze politie zien, net als zijn beslissingen om toe te laten dat vrouwen autorijden en bioscopen geopend worden. Zijn recente anticorruptiezuivering was eveneens een manier om de bevolking te tonen dat zijn hervormingen niet alleen de man in de straat raken maar dat hij ook de elite van het land wil aanpakken (waarmee hij ook zijn greep op de macht versterkt).

Desondanks zullen alle hervormingen in de GCC-landen een voorzichtige evenwichtsoefening vereisen.

Het ondernemingsklimaat blijft moeilijk

Naast de al besproken aspecten worden alle landen van de GCC gekenmerkt door een moeilijk ondernemingsklimaat. Dit is te wijten aan een aantal factoren die van land tot land verschillen.

Met de Ease of Doing Business Index van de Wereldbank als maatstaf zien we dat de VAE vrij goed scoort (21e plaats in de wereldranglijst), terwijl de andere landen het beduidend slechter doen (Bahrein staat op de 66e plaats, Oman op 71, Qatar op 83, Saudi-Arabië op 92 en Koeweit op 96). In de evaluatie van de subscores zien we (zonder verrassing) dat alle landen (met uitzondering van Saudi-Arabië) zeer goed scoren voor 'Belastingen betalen' en zeer slecht voor 'Krediet krijgen', 'Insolventie oplossen' en 'Grensoverschrijdende handel'. Het afdwingen van contracten is in de meeste GCC-landen eveneens problematisch. In dit opzicht wordt de regio als een zeer slechte bedrijfsomgeving voor het innen van schulden beschouwd. Hier speelt een groot aantal factoren mee, met als belangrijkste de trage werking en de complexiteit van het wettelijke kader in de meeste landen van de GCC en het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechters.

Toch zien we in het licht van de recente hervormingen dat de landen naar een beter ondernemingsklimaat evolueren. In 2017 werd in de VAE een langverwachte nieuwe faillissementswet ingevoerd. De wet herziet de manier waarop het land met faillissementen omgaat, legt een grotere focus op een vroege herstructurering van bedrijven in moeilijkheden en decriminaliseert faillissementen. In het verleden leidde de criminalisering van faillissementen tot toestanden waarin zakenmensen het land trachtten te verlaten zodra hun bedrijf over de kop dreigde te gaan.
Andere landen hebben eveneens hervormingen geïmplementeerd. Zo heeft Saudi-Arabië de beperkingen op de eigendom van lokale aandelen versoepeld en de toegang voor buitenlanders vergemakkelijkt. Daarnaast zien we dat de landen hun plaatselijke beursregels in lijn brengen met de internationale normen. In het geval van Saudi-Arabië heeft dat de opname in de MSCI Emerging Market Index vergemakkelijkt (Qatar en de VAE waren al in 2014 opgenomen). Er wordt verwacht dat dit tot een toename van de buitenlandse investeringen zal leiden, voornamelijk in de vorm van portefeuille-investeringen. In het besef dat het meer buitenlandse directe investeringen moet aantrekken, heeft Koeweit een Direct Investment Promotion Authority in het leven geroepen die buitenlandse investeerders moet aanmoedigen om naar het land te komen. Het heeft ook de registratie- en vergunningsprocedures voor investeerders gestroomlijnd. Toch zal het moeilijk zijn buitenlandse directe investeringen aan te trekken, aangezien Koeweit volgens de Wereldbank het slechtste ondernemingsklimaat van alle GCC-landen heeft.
Het moeilijke ondernemingsklimaat is een van de voornaamste redenen waarom Credendo de landen van de GCC in categorie C van de commerciële risicoclassificatie houdt.

Toenemende geopolitieke spanningen

De hervormingen in de GCC vallen samen met stijgende geopolitieke spanningen in de hele GCC-regio, voornamelijk als gevolg van de verhoogde spanning tussen Saudi-Arabië en Iran. Na de consolidatie van zijn macht heeft M.B.S. het voorzichtige buitenlandbeleid dat Saudi-Arabië in het verleden kenmerkte, afgezworen. Hij kiest voor een veel agressievere koers, vooral tegenover Iran. Hij kan daarbij rekenen op de steun van de regering van de Verenigde Staten, die veel nauwer met de Saudische overheid samenwerkt dan de regering–Obama. Die hield Saudi-Arabië meer op afstand. Iran en Saudi-Arabië proberen beide de regio te domineren, zoals blijkt in Jemen, Irak, Syrië en Libanon (met de poging tot aftreden van premier Hariri en de Iraanse steun aan Hezbollah).

De breuk binnen de GCC sinds de blokkade van Qatar is een direct gevolg van dit beleid. De blokkade begon in juni 2017, toen drie GCC-leden (Saudi-Arabië, de VAE en Bahrein) samen met Egypte de diplomatieke betrekkingen met Qatar verbraken en alle land-, zee- en luchtverbindingen blokkeerden. Zij beschuldigen Qatar van sponsoring van terrorisme en ondermijning van de veiligheid van zijn buren. De onderliggende reden is de steun van Qatar aan het Moslimbroederschap en ‘s lands relatief goede verstandhouding met Iran. Hoewel de blokkade bijvoorbeeld de import van producten uit Qatar verbiedt, is ze louter budgettair. Er is geen algemeen verbod op handel met bedrijven uit Qatar, en de betalingen tussen de vier landen en Qatar zijn evenmin verstoord. Wij verwachten dat de boycot een weerslag zal hebben op de groei en de openbare financiën, maar momenteel zijn er dankzij de overheidssteun geen beduidende gevolgen voor de economische groei van Qatar. We zien voorlopig enkel een impact op de diversifiëringsstrategie van het land in de zin dat, zoals al aangestipt, Qatar zijn infrastructuur en zijn banksector sterk heeft ontwikkeld. Beide sectoren zijn nu echter afgesneden van hun klanten in de regio.

Het is onwaarschijnlijk dat de spanningen in 2018 zullen afnemen. Er wordt integendeel zelfs een toename verwacht.

De weg voorwaarts

Zoals al besproken, hebben de landen van de GCC hun begroting ingrijpend geconsolideerd, zodat de begrotingsbalans van de meeste landen van de regio verbeterd is. De balans van de lopende rekening van de regio is weer positief geworden (een surplus van 30 miljard USD in 2017) dankzij enerzijds besparingen op de investeringen, die ook de import hebben verlaagd, en anderzijds de recente stijging van de olieprijs.

Niettemin, hoewel de meeste landen zich meer dan ooit lijken in te spannen om hun economie te diversifiëren, mag het tempo van de hervormingen niet verzwakken. Tegelijkertijd moeten de hervormingen zo worden doorgevoerd dat hun impact op de economische groei en de werkgelegenheid wordt beperkt. Qatar, de VAE, Saudi-Arabië en Koeweit hebben de financiële middelen om hun hervormingen tegen een meer geleidelijk tempo voort te zetten, zodat men verwacht dat de groei in deze landen zich in 2018 enigszins zal herstellen. Bovendien heeft de al doorgevoerde consolidatie ervoor gezorgd dat de break-evenprijs van de koolwaterstoffen verlaagd werd om de begroting en de betalingsbalans in evenwicht te houden. De belangrijke financiële buffers stellen de landen ook in staat om de deviezenkoppelingen in stand te houden, die voor alle landen een belangrijk anker voor economische en financiële stabiliteit zijn.

Voor Bahrein en Oman is de economische situatie kritieker. Bahrein moet zijn overheidstekort dringend verminderen. De combinatie van een hoge overheidsschuld, een gebrek aan structurele hervormingen, aanhoudende ernstige begrotingstekorten en grote herfinancieringsbehoeften in de volgende jaren ondermijnt de geloofwaardigheid van de regering. Als er geen hervormingen worden doorgevoerd, dreigen deze risico's tot een vertrouwenscrisis te leiden die, gezien de zeer omvangrijke banksector, rampzalig zou zijn voor de economie. Aangezien Credendo momenteel niet verwacht dat dit risico zich zal materialiseren, blijft de classificatie van het politieke risico op (middel)lange termijn in categorie 5/7, hoewel deze notering onder druk staat. Het feit dat Bahrein gekenmerkt blijft door een uitstroom van kapitaal zet de internationale deviezenreserves (die momenteel slechts 1,4 maanden import dekken) en dus ook de koppeling met de Amerikaanse dollar onder druk. Deze situatie blijft nadelig voor de prognose van het politieke risico op korte termijn (momenteel in categorie 3/7). Oman moet eveneens zijn begrotingstekort verlagen, maar ook zijn economische model hervormen om het land minder afhankelijk te maken van olie. Om dat te bereiken, zal Oman ingrijpende begrotingshervormingen van zijn economische model moeten implementeren; vergeleken met Bahrein heeft het een veel langere weg af te leggen om zijn economie te diversifiëren. Aangezien de classificatie van het politieke risico van het land op (middel)lange termijn in oktober 2017 nog werd verlaagd (naar 5/7), wordt voorlopig geen verdere daling van de classificatie verwacht. De classificatie van het politieke risico op korte termijn (nog altijd in 2/7) blijft echter onder druk staan. Indien Bahrein en Oman hun overheidsuitgaven daadwerkelijk significant aanpassen, verwachten we dat dit aanvankelijk op de groei zal drukken maar op lange termijn de groei wel zal bevorderen.

De grote vraag voor alle landen van de GCC is of zij hun hervormingsinspanningen zullen voortzetten als het ongenoegen bij de bevolking over de hervormingen of de recente stijging in de olieprijs zou aanhouden. Zeker dat laatste zou de landen in de verleiding kunnen brengen om terug te grijpen naar hun beleid zoals voor de instorting van de olieprijzen. Dat zou immers de nood verlichten om op korte termijn begrotingsconsolidatie in te voeren, alsook de nood om de externe balans te herstellen. Dat zal echter pas na verloop van tijd duidelijker worden.

Analist: Jan-Pieter Laleman – jp.laleman@credendo.com