De WAEMU als onderdeel van de CFA-frankzone

De CFA-frankzone omvat 14 Sub-Sahara-Afrikaanse landen (en de Comoren), verdeeld over de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC) en de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie (WAEMU). De CFA-frank verwijst naar twee valuta's (XOF en XAF) met gelijke waarde die ook altijd dezelfde monetaire waarde hebben gehad ten opzichte van andere valuta's. De CFA-frank was tot januari 1999 verankerd aan de Franse frank. Daarna werd de euro de ankervaluta. De CFA-frank werd in 1948 en 1960 gedevalueerd en de laatste (sterke) devaluatie vond plaats in 1994, waarna de huidige waarde van 655,96 CFA-frank voor 1 euro werd vastgelegd. De monetaire samenwerking met Frankrijk is gebaseerd op vier beginselen: onbeperkte converteerbaarheid gegarandeerd door het ‘Agence France Trésor’ (het Franse ministerie van Financiën), een vaste wisselkoers, vrije overdraagbaarheid binnen de regio en de centralisatie van de buitenlandsedeviezenreserves (bij de Centrale Bank van West-Afrikaanse Staten (BCEAO) en de Bank van Centraal-Afrikaanse Staten (BEAC)).

In handelstransacties is het risico van non-betaling door overdrachtsproblemen of deviezenschaarste dus matig voor landen die deel uitmaken van het monetair akkoord. Dit zien we ook in de classificatie van het politieke risico op korte termijn. Credendo plaatst geen enkel CFA-land in een categorie hoger dan 5/71. Bovendien hebben de koppeling aan de euro en het verbod op het monetariseren van de begrotingstekorten de inflatie laag gehouden (ongeveer 3%), in tegenstelling tot de rest van Sub-Sahara-Afrika.

WAEMU-lidstaten en hun gemeenschappelijke kenmerken

De WAEMU bestaat uit Ivoorkust, Senegal, Mali, Burkina Faso, Benin, Niger, Togo en Guinee-Bissau, gerangschikt volgens bbp (van hoog naar laag). Alle lidstaten zijn netto-importeurs van olie en sommige zijn relatief kwetsbaar (kleine exportbasis) en politiek instabiel. Door hun grote afhankelijkheid van een of twee exportgoederen worden de lidstaten blootgesteld aan ruilvoetschokken. De handelsstromen zijn vooral afhankelijk van grondstoffen zoals cacao (Ivoorkust), katoen (Burkina Faso, Benin), goud (Mali, Burkina Faso), uranium (Niger) en fosfaten (Togo). Het potentieel voor regionale handelsintegratie moet verder verdiept worden, aangezien de handel binnen de WAEMU slechts 10% van de totale handelsstromen bedraagt, ondanks de eenheidsmunt en het feit dat er geen tarifaire handelsbelemmeringen zijn. Bovendien blijft de instroom van internationale investeringen beperkt zelfs al zijn er geen wisselkoersrisico's, waarschijnlijk als gevolg van een gebrek aan infrastructuur en gebrekkige instellingen. De huidige grote afhankelijkheid van de overheidssector moet worden aangepakt door het concurrentievermogen te verbeteren en door de private sector aangestuurde groei mogelijk te maken. Dat is essentieel voor duurzame economische vooruitgang en houdbare overheidsfinanciën.

Hogere economische groei en grote overheidsinvesteringen

De WAEMU is sinds 2011 een van de snelst groeiende regio's in Sub-Sahara-Afrika. De verwachtingen van de gemiddelde reële bbp-groei blijven optimistisch met 6% tot 7%, ten minste voor de komende 5 jaar, terwijl de meeste lidstaten een groei van meer dan 5% per jaar verwachten. De stijgende particuliere consumptie – vooral sinds het einde van de burgeroorlog in Ivoorkust – en de grote overheidsinvesteringen in infrastructuurprojecten hebben de groei gestimuleerd. De interne investeringen binnen de WAEMU zijn de afgelopen jaren bijzonder sterk gegroeid, met een gemiddelde van 23,4% van het bbp in 2018. Met relatief lage nationale spaarrentes (16,5% van het bbp in 2018) worden de investeringen echter grotendeels extern gefinancierd, wat leidt tot aanzienlijke externe en begrotingsonevenwichtigheden. Het totale regionale begrotingstekort is gestegen en bedroeg in 2016 en 2017 respectievelijk 4,4% en 4,3% van het bbp. Zo is de overheidsschuld gestegen van 36% van het bbp in 2012 naar 52% in 2018, waarbij het aandeel van de externe schuld is toegenomen. Dankzij de consolidatie-inspanningen is het begrotingstekort in 2018 gedaald tot 3,8% van het bbp en zou het tegen eind 2019 de WAEMU-doelstelling van 3% van het bbp moeten bereiken, waardoor de opbouw van de overheidsschuld wordt afgevlakt.

Credendo’s beoordeling van de liquiditeit van de WAEMU

De buffer van buitenlandsedeviezenreserves die de BCEAO aanhield, werd verlaagd als gevolg van de daling van de grondstofprijzen en de toenemende veiligheidsproblemen in de Sahel. De buffer ging van 6 maanden importdekking in 2011 naar ongeveer 4,7 maanden eind 2014, wat een relatief laag niveau is om de wisselkoers te verdedigen. Zoals blijkt uit grafiek 2, kwamen de reserves in 2016 extra onder druk te staan en daalden ze tot 3,9 maanden importdekking, aangezien grote investeringen in infrastructuur een aanzienlijke invoer van kapitaalgoederen vereisen, waardoor het tekort op de lopende rekening toenam. In 2018 is het regionale tekort op de lopende rekening toegenomen tot een recordhoogte van 6,8% van het bbp, maar zal het de komende jaren naar verwachting weer dalen naar 5% (deels dankzij de nieuwe olie- en gasproductie in Senegal). De tekorten zijn grotendeels gefinancierd met internationale donorsteun, concessionele financiering en directe buitenlandse investeringen, maar er zijn steeds meer niet-concessionele externe leningen opgenomen, vooral in Senegal, Ivoorkust en Benin. Hierdoor is de last van de overheidsschuld toegenomen van gemiddeld 20,8% van de overheidsinkomsten in 2015 tot 33% in 2018. Benin, Togo en Senegal hadden in 2018 de hoogste schuldenlast. Sinds 2017 is de liquiditeitsdruk verlicht door enerzijds grote uitgiften van euro-obligaties door Senegal en Ivoorkust en anderzijds een betere handhaving van de repatriëringsvereisten voor exportinkomsten. Hierdoor bereikten de buitenlandsedeviezenreserves eind 2018 opnieuw 4,3 maanden importdekking. In 2018 zijn essentiële hervormingen doorgevoerd in de banksector om aan de nieuwe solvabiliteitsvereisten te voldoen en om de banken te helpen het hoofd te bieden aan de aanzienlijke concentratie-, krediet- en liquiditeitsrisico's.

Hoe Credendo de toekomst en risico’s voor de regio inschat

Er is bezorgdheid gerezen over de stabiliteit van de CFA-frank, aangezien de liquiditeit van de olieafhankelijke CEMAC-economieën is gedaald door de val van de internationale olieprijzen, waardoor de vrees voor devaluatie is ontstaan. Sinds 2016 coördineert het IMF de regionale stabilisatie-inspanningen. Samen met de garantie op internationale steun voor de huidige koppeling hebben monetaire en fiscale hervormingen de vrees voor devaluatie doen afnemen. Hoe dan ook zal er snel een IMF-programma moeten worden opgestart voor Equatoriaal-Guinea en de Democratische Republiek Congo om de liquiditeitspositie van de CEMAC te herstellen. De liquiditeitscrisis zou een monetair risico kunnen vormen voor de WAEMU (kapitaaluitstroom), ook al functioneren de twee unies in wezen onafhankelijk van elkaar.

De verwachtingen voor de bbp-groei van de WAEMU zijn positief en de liquiditeitsbuffer zou geleidelijk weer moeten worden opgebouwd als de fiscale consolidatie-inspanningen worden volgehouden. Een verslechtering van de veiligheidssituatie in Burkina Faso, Mali of Niger kan de prognoses echter doen ontsporen, terwijl de politieke instabiliteit in Guinee-Bissau en Togo een belangrijke risicofactor blijft. De gespannen presidentsverkiezingen in Ivoorkust in 2020 zijn een andere belangrijke gebeurtenis om op te volgen. Onvoldoende economische inclusiviteit kan sociale instabiliteit in de hand werken, aangezien de armoede in de regio nog steeds hoogtij viert. Bovendien vormen de ongunstige ruilvoetschokken en de kwetsbaarheid van de banksector een aanzienlijk risico. De blootstelling van de WAEMU aan de wereldwijde financiële markten is sinds de uitgiften van euro-obligaties toegenomen. De regio werd daarom ook blootgesteld aan schokken op de financiële markten (kapitaaluitstroom, omgekeerde risicobereidheid) en stijgende wereldwijde rentevoeten, waardoor de financieringskosten zouden kunnen stijgen.

In 1999 werd het plan opgevat om samen te smelten met de andere lidstaten van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) (Gambia, Ghana, Guinee, Liberia, Nigeria en Sierra Leone) tot een regionale monetaire unie met één enkele munt (de ‘eco’). In de loop der jaren kreeg dit plan echter af te rekenen met tal van obstakels en tegenslagen. Een dergelijke gemeenschappelijke munt creëert grote kansen voor de regionale handel en de continentale (economische) invloed, maar de voorwaarden om deze verdiensten te benutten, blijven problematisch (zwakke infrastructuur, informele handel, veiligheidsrisico's, gebrek aan macro-economische stabiliteit en houdbaarheid van de schuldenlast). De kans dat de ‘eco’ op de nieuwe deadline van januari 2020 gelanceerd wordt, is dan ook zeer klein. Tot op heden heeft de WAEMU nog nooit een plan voorgelegd voor de manier waarop de unie de CFA-frank zou ontbinden om tot de ‘eco’ toe te treden. Lidstaten zouden hun deelname verder kunnen uitstellen, omdat ze niet bereid zijn het risico te lopen de steun van het Agence France Trésor en de algemene macro-economische stabiliteit die het lidmaatschap van de CFA-zone biedt, te verliezen.

Analist: Louise Van Cauwenbergh – l.vancauwenbergh@credendo.com


1 Niet van toepassing wanneer een hoog oorlogsrisico een hogere waardering rechtvaardigt.