Risicofactoren en vooruitzichten

  • Politiek geweld vormt de belangrijkste factor voor het risico op middellange tot lange termijn, maar er wordt verwacht dat dat de komende jaren stabiel zal blijven.
  • De gespannen relatie tussen de VS en Iran vormt samen met aanslagen door oproerbewegingen het grootste risico voor Irak.
  • Het is onwaarschijnlijk dat sektarische spanningen op middellange termijn opnieuw zullen oplopen.
  • Schuldverlichting midden de jaren 2000 heeft voor een duurzaam schuldenpad gezorgd.
  • Een daling van de olieprijzen kan leiden tot een snelle verslechtering van economische indicatoren, hoewel ze in een negatief scenario duurzaam zouden blijven.

Feiten & cijfers

Pro's

  • De financiële situatie is sterk sinds de schuldenverlichting in 2005
  • De liquiditeitssituatie is comfortabel
  • De situatie m.b.t. politiek geweld gaat er gestaag op vooruit

Contra's

  • Geopolitieke spanningen kunnen mogelijk overlopen
  • Economische indicatoren kunnen flink te lijden krijgen onder dalende olieprijzen
  • Spanningen tussen de sjiitische en soennitische gemeenschappen en risico op oproer

Staatshoofd

  • President Barham Salih

Regeringsleider

  • Eerste minister Adil Abdul-Mahdi

Bevolking

  • 38,4 miljoen

Bbp (2018)

  • 224.100 miljoen USD

Inkomen per capita

  • 5.030 USD (hoger middeninkomen)

Beoordeling landenrisico

Sinds Saddam Hoessein in 2003 werd afgezet, heeft Irak een woelige burgeroorlog doorgemaakt met stevige sektarische spanningen en herhaalde opflakkeringen van politiek geweld. Dat heeft in de loop der jaren een aanzienlijke impact gehad op het institutioneel kader in Irak. De buitenlandse schulden zijn relatief laag en het land is sterk afhankelijk van olieopbrengsten. De belangrijkste factor voor het politiek risico op middellange of lange termijn is dan ook de moeilijke politieke situatie geweest sinds het land in 2005 schuldverlichting werd verleend. Nochtans is de situatie er gestaag op verbeterd sinds de nederlaag van IS midden 2017, maar de uiterst fragiele politieke situatie zorgt ervoor dat het risico blijft bestaan. Dit artikel belicht de vijf voornaamste uitdagingen waar Irak momenteel voor staat en die de hoofdfactoren vormen van het risico op middellange of lange termijn: (i) het risico dat de spanningen tussen de Koerdische en de federale regering op middellange termijn weer opflakkeren; (ii) het voortdurende risico op volksprotesten, in het bijzonder tijdens de zomermaanden, hoewel die de stabiliteit van het land niet zullen aantasten; (iii) de mogelijkheid dat geopolitieke spanningen tussen Saudi-Arabië en de Verenigde Staten aan de ene kant en Iran aan de andere kant verder oplopen, met mogelijke gevolgen voor Irak; (iv) de blijvende verdeeldheid tussen de soennieten en de sjiieten; en (v) het kleine maar niet onbestaande risico op aanslagen door opstandelingen en de onzekere toekomstige rol van de Volksmobilisatie-eenheden. Het derde en vijfde element hierboven vormen samen op middellange termijn de sterkste factor van het politieke risico in Irak. Hoewel het verstandig is om rekening te houden met deze zwakke punten, zullen ze op middellange termijn naar verwachting niet tot een plotse, aanzienlijke of grote verslechtering leiden van de politieke situatie in Irak. Om die reden heeft Credendo beslist om de classificatie van het politieke risico op middellange tot lange termijn voor Irak op te waarderen naar categorie 6 (van 7).

Politiek geweld als voornaamste risicofactor van het land

Sinds Saddam Hoessein in 2003 werd afgezet, heeft Irak een woelige burgeroorlog doorgemaakt met sektarische spanningen en herhaalde opflakkeringen van politiek geweld. Die begonnen onmiddellijk nadat Saddam Hoessein werd afgezet en de Verenigde Staten een voorlopige regering hadden aangesteld. Die regering kon de taken die haar te wachten stonden namelijk niet aan. Al in 2004 begonnen Ba’athistische opstandelingen symbolen van de nieuwe staat aan te vallen en na verloop van tijd evolueerde dit tot een volslagen opstand tegen de nieuwe regering. Op die manier kwam de bevolking in een sektarische verdeeldheid terecht en in 2004 kwamen er in heel het land zowel sjiitische als soennitische oproerbewegingen tot stand.

In 2005 werd een overgangsregering (OR) gevormd. Die bestond hoofdzakelijk uit sjiieten en Koerden, want de soennieten hadden de verkiezing geboycot. De OR werd ermee belast het stijgende aantal aanslagen van oproerbewegingen aan te pakken en een nieuwe Iraakse grondwet op te stellen, waarin een parlementair systeem werd uiteengezet waarbij de uitvoerende macht werd bekleed door de eerste minister en de ministerraad. Aangezien ze niet in de OR vertegenwoordigd waren, werd er in de nieuwe grondwet amper rekening gehouden met de wensen van de soennieten, maar werd er wel aan de verlangens van de sjiitische en Koerdische leiders voldaan. Dit was voor de soennieten een eerste duidelijke bron van frustratie naar aanleiding van de verkiezingen in december 2005, die werden georganiseerd nadat de nieuwe grondwet in werking trad en Nouri al-Maliki eerste minister werd. Al-Maliki, een sjiiet, was de leider van de islamitische Dawapartij en bleef tot 2014 eerste minister. Hij groeide al snel na zijn aanstelling uit tot een van de machtigste politieke leiders in Irak.

In de loop van 2006 begon het land verstrengeld te raken in een heuse burgeroorlog toen soennitische opstandelingen de gouden koepel van de al-Askari-moskee in Samarra vernietigden. Deze tempel is een van de heiligste plaatsen van de sjiitische gemeenschap en de bomaanslag leidde dan ook tot een reeks vergeldingsaanslagen tegen soennitische moskeeën in heel het land. In 2007 en gedurende 2008 nam het geweld in Irak weer af. Eén element dat hierin een belangrijke rol speelde was het feit dat de VS soennitische Arabische burgerlegers begon te gebruiken om de opstandelingen in hun eigen gemeenschappen de kop in te drukken, zodat de Iraakse overheid de controle over vele soennitische steden en dorpen weer in handen kon nemen. Hoewel de veiligheid erop vooruitging, bleef de politieke situatie vastzitten in discussies over de interpretatie van verschillende delen van de grondwet en de rol van de regering. Dat toonde aan hoe sterk de verschillende sektes Irak intern verdeelden.

Tussen 2008 en 2009 slaagde al-Maliki erin zijn greep op de Iraakse politiek te verstevigen. Hij liet in heel het land verschillende aanslagen uitvoeren tegen opstandelingen. Zo wou hij actieve oproerbewegingen de kop indrukken en vijandige milities tegelijk uit de weg werken. Hij zorgde voor een verdere vervreemding van de soennitische bevolking, aangezien sommige soennitische milities het belangrijkste doelwit waren. Al-Maliki slaagde erin eerste minister te blijven tot 2014 dankzij zijn strategisch gebruik van vriendjespolitiek, zijn macht over de dwangmaatregelen van de staat en zijn netwerk van bondgenoten verspreid over het zuiden van het land, maar vooral dankzij de zwakke en onsamenhangende oppositie. In de loop der tijd heeft hij zijn macht verder uitgebreid over alle onafhankelijke instellingen zoals de centrale bank en de verkiezingscommissie.

In augustus 2010 kondigde de toenmalige Amerikaanse president Obama aan alle gevechtsoperaties in Irak stop te zetten. De veiligheidssituatie was erop verbeterd en op deze manier kon het gevaar van de binnenlandse tegenstand tegen de Irakoorlog worden afgewend. Tegen eind december 2011 hadden alle VS-militairen zich teruggetrokken uit Irak. Rond dezelfde tijd dat Obama een stopzetting van de gevechtsoperaties had aangekondigd, ontstonden er in heel Irak echter zomerprotesten in de vorm van volksprotesten, zowel onder de soennieten als onder de sjiieten. De protesten richtten zich op het gebrek aan basisvoorzieningen als elektriciteit en hadden het gemunt op de endemische corruptie. Sinds 2010 werden die protesten tijdens de meeste zomers opnieuw gehouden, maar 2010 en 2011 steken erboven uit. Tegen midden 2012 waren de protesten een gevaarlijkere weg ingeslagen. Ze richtten zich namelijk vooral op soennitische regio's. Bovendien vonden er toen opnieuw aanslagen van oproerbewegingen plaats, wat de deur openzette voor de opkomst van Islamitische Staat in 2014.

Haider al-Abadi werd na de verkiezingen in 2014 eerste minister en nam het roer over van al-Maliki, ook al had de partij van die laatste de verkiezingen gewonnen. Al-Maliki werd afgezet nadat hij er niet in geslaagd was een meerderheid te behalen en de VS en Iran hem hadden gevraagd niet aan de macht te blijven. De afzetting moet als een positieve ontwikkeling worden beschouwd, want al-Maliki had de soennitische gemeenschap vervreemd. Al-Abadi werd er meteen mee belast IS aan te pakken, dat er tegen midden 2014 in was geslaagd grote Iraakse en Syrische gebieden te veroveren en het kalifaat had uitgeroepen in de stad Mosoel. Dit bleek een heuse opgave. Het Iraakse leger was namelijk uit elkaar gevallen, waardoor al-Abadi moest vertrouwen op de sjiitische milities (die zich na verloop van tijd zouden ontpoppen tot de huidige Volksmobilisatie-eenheden, VME) en de Koerdische Peshmerga-strijdkrachten om het oprukken van IS in te dijken.

IS slaagde erin aan belang te winnen aangezien het duidelijk de steun genoot van de soennitische gemeenschappen, die onder al-Maliki's bewind waren verwaarloosd. Al-Abadi trachtte die verwaarlozing om te keren door beloftes te doen over een aantal van de belangrijkste eisen van de soennitische gemeenschap. De uitvoering daarvan bleek echter niet eenvoudig, want al snel kreeg hij tegenstand van sjiitische en Koerdische kant. Na verloop van tijd en met de steun van de VME's, Koerdische Peshmerga-strijdkrachten, internationale en Iraanse strijdkrachten, slaagde Irak er midden 2017 in om IS te verslaan.

Na de overwinning op IS kreeg Irak met zware uitdagingen te kampen. Het land moest namelijk herstellen van de gevolgen van jarenlang conflict. Naar schatting 3 miljoen mensen waren intern ontheemd, 30% van de bevolking had nood aan humanitaire hulp en de infrastructuur voor bijvoorbeeld elektriciteitsproductie en watervoorziening was zwaar verwoest. Intussen had de nederlaag van IS een ander etnisch conflict aangewakkerd, meer bepaald de Koerdische onafhankelijkheidwens, en dus organiseerden de Koerdische politieke partijen in september 2017 een onafhankelijkheidsreferendum. Dat werd gehouden in alle gebieden die in handen waren van de Koerdische Regionale Regering (KRG), ondanks hevige weerstand van de federale regering en van Turkije en Iran, die bang waren dat het referendum de Koerdische bevolking op hun grondgebied zou aansporen om ook onafhankelijkheid te eisen. Dat de uitkomst van het omstreden referendum aantoonde dat 93% van de kiezers voor onafhankelijkheid hadden gestemd, kwam niet als een verrassing.

De federale regering bood snel een antwoord op het referendum en de daaropvolgende eis voor onafhankelijkheid. Internationale vluchten naar de Koerdische regio (KRI) werden opgeschort en de federale regering nam de olierijke gebieden Kirkoek en Nineve weer in handen (twee regio's die in handen waren van de Koerdische regering, maar niet officieel deel uitmaakten van de Koerdische regio). Turkije dreigde met de sluiting van de olieleiding waardoor olie van de Koerdische regio naar Turkije werd uitgevoerd, Koerdische banken werden uitgesloten van het Iraakse banksysteem en Iran sloot de grenzen met de KRI. Bovendien zorgde het referendum ervoor dat een aantal bondgenoten van de Koerden vervreemd raakten, met inbegrip van westerse partners. Deze maatregelen hadden een zware impact op de Koerdische economie, in het bijzonder het verlies van de olievelden in Kirkoek en Nineve. De Koerdische regering verloor ongeveer 50% van haar inkomsten. Het Koerdische referendum bleek een grove misrekening. De president van de Koerdische regio, Massoud Barzani, die de hoofdzakelijke voorvechter van onafhankelijkheid was geweest, bood dan ook zijn ontslag aan. Daarmee werd de Koerdische gooi naar onafhankelijkheid opgeborgen.

In mei 2018 werden federale parlementsverkiezingen gehouden. Ze waren meer dan ooit gefragmenteerd. Een aantal partijen was opgesplitst, maar de kern zorgde enigszins voor geruststelling door zich niet tot één enkele etnische groepering te beperken. Dit stond in sterk contrast met de methode van al-Maliki, die zijn campagne op het sjiitische deel van het land had gericht en de sjiitische kiezers op de been had gebracht door zich hard op te stellen tegenover de Koerden en de soennitische bevolking te vervreemden. De verkiezingen werden gewonnen door de populistische anti-establishmentpartij Saairun, gevolgd door de Fatah-alliantie, opgericht door Hadi al-Ameri, een vooraanstaande voormalige commandant van de VME. De regeringsvorming vergde enige tijd, maar werd uiteindelijk afgerond in oktober 2018 nadat al-Abadi had aangegeven dat hij niet aan de macht zou blijven. Abdul Mahdi werd eerste minister en wordt beschouwd als een verzoenende figuur die wordt aanvaard door zowel de VS als Iran. Hij deed al eerder dienst als minister van Financiën en minister van Olie in verschillende regeringen na 2004.

Ondanks deze verbeteringen blijven er nog heel wat uitdagingen over. Momenteel zorgen vijf hoofdfactoren voor risico op middellange tot lange termijn:

  • Ten eerste bestaat het risico dat de spanningen tussen de Koerdische en de federale regering op middellange termijn weer opflakkeren. Het strenge optreden van de federale regering heeft er echter voor gezorgd dat de Koerden hun onafhankelijkheidswens hebben opgeborgen en de huidige Koerdische regering werkt samen met de federale regering. Hoewel er wordt verwacht dat er regelmatig discussies zullen worden gevoerd over het aandeel dat de Koerdische regio uit de federale begroting mag ontvangen, zullen de spanningen tussen Irak en de Koerden naar verwachting niet tot een regelrechte crisis leiden. Het is ook geruststellend dat de huidige eerste minister, Abdul-Mahdi, erom bekend staat in het verleden goed te hebben gecommuniceerd met het Koerdische leiderschap.
  • Ten tweede hebben volksprotesten – tegen de slechte dienstkwaliteit, corruptie en elektriciteits- en watertekorten – meermaals de kop opgestoken, vooral in de zomer. Afgelopen zomer waren de protesten in de olierijke provincie Basra heviger dan normaal en hebben ze geleid tot de vernieling van de gebouwen van de gouverneur, de provincieraad en het Iraanse consulaat. Toch worden deze herhaaldelijke protesten momenteel niet gezien als een groot risico voor de politieke stabiliteit. Hoewel de zomerprotesten in Basra wereldwijde aandacht kregen en ze de positie van eerste minister al-Abadi hebben geschaad, hebben ze niet tot politieke instabiliteit geleid. De regering kijkt vooruit en heeft meerdere grootschalige investeringsprogramma's opgezet, waaronder een overeenkomst met General Electric ter waarde van 15 miljard dollar om het elektriciteitsnet op te waarderen. Deze investeringen verlichten dus een aantal pijnpunten waardoor de protesten na verloop van tijd in intensiteit en frequentie zouden moeten afnemen. Hoewel de mogelijkheid blijft bestaan dat er komende zomer of in de toekomst nog protesten worden georganiseerd, zouden die naar verwachting niet tot grote politieke instabiliteit moeten leiden.
  • Ten derde bevindt Irak zich geografisch gezien tussen Saudi-Arabië en Iran, twee tegenover elkaar staande regionale machtsblokken. Historisch gezien is Iran altijd sterk aanwezig geweest door zijn ideologische invloed bij de sjiitische gemeenschap, door zijn invloed op de VME-strijdkrachten en omdat Irak voor een deel van zijn energievoorziening nog steeds sterk van Iran afhankelijk is. Dit is dan ook een doorn in het oog van de VS, nu de regering van president Trump de druk op Iran heeft verhoogd. Saudi-Arabië en de VS werken actief samen om de wereldwijde invloed van Iran te doen krimpen, wat tot verhoogde geopolitieke spanning zou kunnen leiden. Meer bepaald zou de toenemende geopolitieke spanning voor Irak een blokkering van de politiek kunnen betekenen aangezien meerdere parlementsblokken Iran actief steunen. Het zou nog zorgwekkender zijn als Iran zijn controle over de VME's zou gebruiken om VS-eenheden aan te vallen die zich in Irak bevinden. Hoewel er de afgelopen twee maanden een aantal kleinschalige raketaanvallen zijn uitgevoerd op VS-eenheden in het land, blijft het onwaarschijnlijk dat de pro-Iraanse VME's een grootschalige aanval zouden uitvoeren op in Irak aanwezige eenheden van de VS. Meerdere belangrijke stemmen in de Iraakse regering en onder de geestelijken, waaronder aanhangers van al-Sistani, roepen op tot niet-inmenging van buitenlandse troepen in Irak. Bovendien heeft eerste minister Adel Abdul-Mahdi een decreet uitgevaardigd dat de VME's verder reguleert. In theorie kunnen ze hierdoor niet langer in eigen naam opereren of politiek actief zijn. Het decreet is sinds augustus 2019 van kracht, maar het zal nog wel enige tijd duren voor het effectief gehandhaafd wordt. Het is niettemin een eerste stap richting meer controle over de VME's en dus minder Iraanse militaire macht in Irak.
  • Ten vierde blijven de soennitische en sjiitische gemeenschappen erg verdeeld en kunnen de spanningen, hoewel onwaarschijnlijk, op elk moment weer opflakkeren. Het bewind van al-Maliki en de opkomst van IS hebben de sjiitische leiders doen inzien hoe belangrijk het is om de soennitische gemeenschap te steunen en te luisteren naar hun grieven. Dit was duidelijk te zien tijdens de laatste verkiezingen. De partijen beperkten zich namelijk niet langer tot hun eigen geloofsgemeenschap.
  • Tot slot bestaat het risico dat oproerbewegingen nieuwe aanslagen plegen en is er onzekerheid over de toekomstige rol van de VME's. Dit wordt in combinatie met de spanningen tussen de VS en Iran beschouwd als de hoofdfactor van het Iraakse politieke risico op middellange tot lange termijn. Het is de vraag of de VME's bereid zullen zijn trouw te zweren aan de Iraakse overheden in plaats van één bepaalde persoon of partij. Niettemin wordt er niet verwacht dat de VME's een destabiliserende rol zullen spelen. De partijen en personen die er momenteel de leiding over hebben willen Irak namelijk stabiliseren, wat benadrukt werd tijdens hun strijd tegen IS. Positief is dat de VME's, samen met de Koerdische troepen en het Iraakse leger, een stevige greep op het Iraakse gebied hebben en dus oproerbewegingen ervan weerhouden om daar te opereren.

Hoewel het politieke risico voor Irak veruit de sterkste risicofactor vormt, zien we dus een gestage stabilisering, ondanks het feit dat het Iraakse institutionele kader na jarenlang conflict aanzienlijk verzwakt is.

Economische kwetsbaarheden in het verschiet

Irak heeft gebruik kunnen maken van verschillende IMF-programma's. Ten eerste werd er in 2004 een overeenkomst voor noodhulp na conflict gesloten (Emergency Post-Conflict Assistance – EPCA). In 2005, 2007 en 2010 werden drie stand-by-overeenkomsten (stand-by agreement – SBA) gesloten. Die van 2005 en 2007 werden puur uit voorzorg gesloten, maar in 2010 werden er effectief fondsen verstrekt. Het programma van 2010 is ontspoord toen de olieprijzen begonnen te stijgen. Op die manier kreeg de regering heel wat inkomsten binnen, waardoor de nood aan buitenlandse financiering afnam. Na de stijging van de olieprijzen klopte Irak opnieuw aan bij het IMF, aangezien het te kampen had met dalende olie-inkomsten en de dure strijd tegen IS. Via het snellefinancieringsmechanisme werd in 2015 geld vrijgegeven, gevolgd door een stand-by-overeenkomst in 2017. Onder het laatste IMF-programma (juli 2016-juli 2019) werden wederom zwakke prestaties neergezet, aangezien het programma in augustus 2017 al ontspoorde en in juli 2019 afliep.

Eén probleem met de IMF-programma's is het feit dat Irak normaal gezien een relatief sterke positie had wat betalingsbalans betreft, in het bijzonder tijdens de eerste jaren dat het IMF erbij betrokken was en tijdens de stijging van de olieprijzen. Hierdoor leek het IMF over weinig middelen te beschikken om druk te zetten op de Iraakse regering om de vereiste hervormingen door te voeren, wat duidelijk wordt wanneer men de evolutie van de overheidsfinanciën bekijkt. Door het aanhoudende conflict met IS en lage olieprijzen bereikte de staatsschuld in 2015 12,8% van het bbp en in 2016 13,9% van het bbp. Eens de olieprijs was hersteld en het conflict met IS was afgelopen, herstelde het overheidssaldo en kwam het uit op een overschot van 7,9% tegen eind 2018, waardoor de behoefte om aan het IMF-programma te voldoen afnam. Nu Irak meerdere infrastructuurplannen aan het opzetten is, zal het land in 2019 volgens het IMF naar verwachting een staatsschuld van 4,1% overhouden en op middellange termijn een schuld van ongeveer 5%. De huidige staatsschuld bedraagt daarentegen minder dan 50% van het bbp en de infrastructuurprojecten zullen waarschijnlijk voor groei zorgen, zodanig dat de schuldquote op middellange termijn naar verwachting slechts licht zal toenemen. Niettemin heeft het IMF gewaarschuwd dat grote begrotingstekorten de reserves van de centrale bank kunnen uitputten als ze niet via buitenlandse leningen kunnen worden gefinancierd.

Wat overheidsfinanciën betreft, blijven de relatief hoge uitgaven een van de grootste uitdagingen voor Irak, en dat terwijl het land net meer kapitaaluitgaven moet doen om de infrastructuur te herstellen. De lonen van de overheidssector slokken al zo'n 40% van de overheidsuitgaven op, een stijging ten opzichte van de 25% in 2010-2013. Dit is deels een weerspiegeling van de hoge mate van vriendjespolitiek door de politieke partijen, wat onder controle zal moeten worden gebracht als het land verder wil investeren in infrastructuur. Een volgende uitdaging is de sterke afhankelijkheid van olie- en gasopbrengsten, die ongeveer 90% van alle overheidsopbrengsten uitmaken. Het aandeel van de belastingen bedraagt daarentegen slechts 5%.

Een gelijkaardig beeld is te zien bij de ontvangsten op de lopende rekening. Koolwaterstof was in 2017 verantwoordelijk voor 92,4% van alle inkomsten in vreemde valuta. De stijging van de olieprijzen in 2017 en 2018 heeft alleen maar tot verdere overschotten op de lopende rekening geleid. In 2017 bedroeg het overschot op de lopende rekening van Irak 1,8% van het bbp, maar in 2018 liep dat op tot 6,9%. De komende jaren zal Irak naar verwachting meer kapitaalgoederen invoeren in het kader van grote infrastructuurprojecten en zal de lopende rekening in 2019 naar verwachting uitkomen op een tekort van 4,1%, dat de jaren erop naar verwachting zo'n 3,5% zal bedragen.

De groei is relatief veranderlijk geweest, wat blijk geeft van de impact van jarenlang conflict en schommelende olieprijzen. Toch bedroeg de groei over de periode 2005-2016 gemiddeld 6,3%. In 2017 en 2018 werd die wat getemperd door minder olieproductie en aanhoudende politieke onzekerheid, maar gezien de geplande investeringen van de komende jaren, zal de groei naar verwachting stijgen tot 4,6% in 2019 en 5,3% in 2020. Op middellange termijn zal die naar verwachting rond de 2,1% bedragen.

Betere financiële vooruitzichten dankzij schuldkwijtschelding

Irak bevindt zich in een solide financiële situatie omdat het slechts beperkte buitenlandse schulden heeft dankzij de grote schuldverlichting midden 2000 in het kader van de Club van Parijs. In 2018 bedroeg de totale buitenlandse schuld 69% van de totale uitvoeropbrengsten of 30% van het bbp. Hoewel die schuld op middellange termijn naar verwachting zal stijgen, aangezien de regering waarschijnlijk buitenlandse leningen zal aangaan om het investeringsprogramma voor infrastructuur te financieren, zou de schuldquote op middellange termijn onder de 80% moeten blijven. Minder dan 15% van de totale buitenlandse schuld heeft een korte looptijd.

Gezien het relatief lage niveau aan buitenlandse schulden, is ook de buitenlandse schuldendienst vrij laag. Het land heeft in 2018 minder dan 3% van zijn inkomsten op de lopende rekening uitgegeven aan afbetaling van de buitenlandse schulden, en gemiddeld slechts 3,7% in de afgelopen 7 jaar, hoewel dit tegen 2022 naar verwachting zal stijgen tot zo'n 9% van de totale inkomsten op de lopende rekening.

Irak beschikt over grote reserves en die zijn de afgelopen jaren stabiel gebleven. Eind 2018 was er genoeg om ongeveer 9 maanden uitvoer te dekken en zelfs 90% van de totale buitenlandse schuld te dekken. Het IMF voorspelt met zijn huidig basisscenario echter een aanzienlijke afname van de reserves tegen 2024. In dat scenario wordt namelijk verwacht dat lagere olieprijzen en beperkte leencapaciteiten de reserves onder druk zullen zetten.

Dit legt de grootste kwetsbare plek van Irak bloot met betrekking tot zijn economie, namelijk dat de sterke afhankelijkheid van olieopbrengsten in combinatie met de schommelende olieprijzen een aantal van de economische indicatoren vrij snel kunnen doen verslechteren wanneer de olieprijzen sterk dalen. Toch wordt verwacht dat de schuldenlast duurzaam zal blijven, zelfs in het scenario van lagere olieprijzen, wat aantoont dat de grootste risico's de politieke blijven.

Analist: Jan-Pieter Laleman – jp.laleman@credendo.com