Risicofactoren en vooruitzichten

De afgelopen jaren heeft de Marokkaanse economie een stevige groei opgetekend en deed ze het beter dan de meeste olie-importerende landen in de regio. Sinds 2011 bedraagt de groei gemiddeld 3,6%, zoals blijkt uit grafiek 1. Verwacht wordt dat dit groeipercentage gehandhaafd blijft in de komende jaren. Marokko heeft sinds 2011 een relatief belangrijke politieke transitie doorgemaakt; wat betreft het economische beleid heeft de regering zich toegespitst op de tenuitvoerlegging van een aantal belangrijke hervormingen om de overheidsfinanciën te consolideren. Daarnaast heeft Marokko een uitgebreid infrastructuurprogramma geïmplementeerd, dat heeft geleid tot de ontwikkeling van een nieuwe haven, de bouw van nieuwe luchthavens en de aanleg van een hogesnelheidsspoorlijn. Dit lag mee aan de basis van de bbp-groei en de hervormingen hebben geleid tot macro-economische stabiliteit en een aanzienlijke verbetering van het zakelijk klimaat; toch zijn er een aantal dieperliggende problemen die nog niet opgelost zijn. Dit blijkt uit de terugkerende protesten sinds 2016. Deze protesten vormen voor Marokko een grote uitdaging omdat het niet gemakkelijk is om de onderliggende redenen hiervan weg te werken en omdat de aanhoudende protesten tot een verhoogde politieke instabiliteit kunnen leiden. Daarnaast zorgen deze protesten voor onzekerheid bij investeerders en kunnen ze het economische beleid van de regering, dat net bedoeld is om meer investeerders aan te trekken, ondermijnen.

Feiten & cijfers

Pro's

  • Robuuste groei, op de buitenwereld gerichte strategie
  • Macro-economische toestand is gestabiliseerd
  • Sterke begrotingsconsolidatie
  • Forse verbetering van het zakelijk klimaat

Contra's

  • Terugkerende protesten
  • Ongelijke economische groei: sterkere groei in grotere steden
  • Hervorming van het onderwijssysteem nodig

Staatshoofd

  • Mohammed VI

Regeringsleider

  • Saadeddine Othmani

Bevolking

  • 35,7 miljoen

Bbp (in 2017)

  • 109,3 miljard USD

Inkomen per capita

  • 2.863 USD

Inkomensgroep

  • Lager middeninkomen

Beoordeling landenrisico

Hoofdpunten

  • Er is opnieuw een stevige groei gerealiseerd aangezien de Arabische Lente slechts beperkte gevolgen heeft gehad.
  • De macro-economische stabiliteit wordt ondersteund door belangrijke economische hervormingen en begrotingsconsolidatie.
  • De politieke overgang gaf de politieke partijen en de regering een prominentere rol, maar het paleis heeft nog steeds de grootste politieke macht in handen.
  • De herhaalde protesten sinds 2016 vormen een risico voor de politieke stabiliteit en wijzen op structurele politieke en economische problemen.
  • Een strategie die zich naar de buitenwereld richt, zou verdere economische ontwikkeling kunnen ondersteunen.

Terugkerende politieke onrust

Algemeen wordt er geprotesteerd tegen de hoge corruptie, de hoge werkloosheidsgraad, het politiegeweld en de achterstand in investeringsprojecten in de armere regio's. Over het algemeen vragen de betogers meer inspraak en verantwoordelijkheid in de regering. De protesten woedden het hevigst in de armere en minderbedeelde regio's van het land, zoals de noordelijke Rif-regio. De protesten begonnen daar in 2016 en verspreidden zich van daaruit naar andere gebieden in het land, zoals de stad Jerada in het noordoosten van het land. Tegelijkertijd kreeg de regering in de grote steden ook te maken met protesten van vakbonden tegen de hoge kosten voor levensonderhoud, de wijdverspreide corruptie en de verslechtering van de sociale voorwaarden. Aanvankelijk beloofde de regering hervormingen op lange termijn terwijl ze met harde hand optrad tegen de protesten en de berichtgeving erover. In oktober 2017 kwam de koning tussen en na een rapport van de 'cour des comptes' (de rekenkamer) over de toestand in de Rif werden verscheidene hooggeplaatste ambtenaren ontslagen. Hiermee wilde het koningshuis een duidelijke boodschap meegeven over meer rekenschap bij de overheidsdiensten. Sinds april 2018 zijn de protesten overgegaan naar een boycotcampagne tegen hogere kosten voor levensonderhoud, die via sociale media werd gelanceerd en waar velen zich bij hebben aangesloten. Mikpunt van de campagne zijn drie merken die marktleider zijn op het vlak van zuivelproducten (Danone), mineraalwater (Sidi Ali) en brandstofdistributie (Afriquia). Twee van deze bedrijven worden geassocieerd met prominente Marokkaanse politici en regeringsleden. De benzinestations van Afriquia bijvoorbeeld zijn een onderdeel van de Akwa-groep en de CEO van deze groep is Minister van Landbouw Aziz Akhannouch, een van de rijkste mannen van Marokko. Als gevolg van de boycot zag Danone haar omzet in het derde kwartaal van 2018 met 35% teruglopen, wat toch een aanzienlijke impact is. Door de toenemende protesten is de rating van het politieke geweld in Marokko onder druk komen te staan; deze rating bevindt zich momenteel nog steeds in categorie 3/7. Het is evenwel weinig waarschijnlijk dat de protesten escaleren.

Een zwakke coalitie maar een sterke koning

De huidige politieke onrust heeft nu een hoog niveau bereikt sinds de protesten in 2011 begonnen in het land. Tijdens de Arabische Lente bleven de protesten relatief beperkt in Marokko, zeker in vergelijking met Tunesië en Egypte, waar de toenmalige presidenten zijn moeten aftreden. Het koningshuis reageerde aanvankelijk aarzelend op de protesten van de 20 februari-beweging in deze landen, maar kondigde dan een proces van grondwetshervorming aan dat leidde tot de goedkeuring van een nieuwe grondwet. Met de nieuwe grondwet werd een constitutionele monarchie ingevoerd en de koning droeg dan ook een deel van zijn macht over aan de regering. Ondanks de invoering van de nieuwe grondwet houdt de koning nog steeds de echte politieke macht in handen. Dit werd bijvoorbeeld duidelijk toen de koning tussenkwam bij de vorming van de huidige regering. 

Momenteel is er in Marokko een zwakke coalitie aan de macht die gevormd wordt door de Islamitische Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (PJD) en vijf andere partijen. Deze regering kwam er uiteindelijk na een impasse van zes maanden. De PJD won de verkiezingen in oktober 2016, maar in het Marokkaanse politieke systeem kan een politieke partij nooit met een absolute meerderheid winnen en dus moest de PJD op zoek naar een coalitiepartner. De andere politieke partijen waren echter enkel bereid om zich allen samen bij de coalitie te voegen. De Nationale Groepering van Onafhankelijken (RNI) drong erop aan om de Socialistische Unie van Volkskrachten (USFP) op te nemen in de coalitie. Half maart 2017 kwam de Marokkaanse koning tussenbeide en ontsloeg hij Benkirane. Zijn opvolger, Saadeddine Othmani, slaagde er snel in om een regering te vormen door aan te geven dat hij geen er geen graten in zag om de USFP in de coalitie op te nemen om zo een einde te maken aan de politieke impasse.

Sinds de PJD in de verkiezingen van 2011 107 van de 395 zetels won, heeft de partij een cruciale rol gespeeld in de Marokkaanse politiek. De partij stond aan het hoofd van de regering en Benkirane, het toenmalige partijhoofd van de PJD, werd eerste minister. Tijdens zijn ambtstermijn voerde hij aanzienlijke hervormingen door, zoals een vermindering van de energiesubsidies en een hervorming van het pensioenstelsel. Dankzij deze maatregelen kon de regering een aanzienlijke begrotingsconsolidatie realiseren. Maar ze slaagde er niet in om haar verkiezingsbelofte om de corruptie te verminderen waar te maken. De periode na 2011 vormt een belangrijke overgang in de Marokkaanse politiek, met de invoering van grondwetshervormingen en bijgevolg de uitbreiding van de rol van de regering en de politieke partijen. Vóór deze periode hadden politieke partijen nooit enige belangrijke vorm van macht uitgeoefend, los van het koningshuis. De PJD moest zijn relatie met het koningshuis nog voorzichtig in evenwicht proberen te houden, maar slaagde erin om een sterke invloed uit te oefenen op het economische en politieke beleid van het Koninkrijk en om de beoogde hervormingen door te voeren. De nieuwe regering heeft een economisch beleid gevoerd dat grotendeels overeenstemde met het beleid van de vorige regering, en zette de hervormingen verder die onder Benkirane van start waren gegaan.

Nood aan economische hervormingen

De hervormingen werden getriggerd door de nood aan betere overheidsfinanciën. Vanaf 2009 steeg het overheidstekort gedurende vier opeenvolgende jaren met een piek in 2012. Dat jaar bedroeg het overheidstekort 7,2% van het bbp, en daar kwamen nog eens de toegenomen uitgaven voor ambtenarenlonen, hogere subsidies en hogere intresten bij. Als gevolg daarvan steeg de overheidsschuld tot 56,5% van het bbp. Het overheidstekort is sindsdien gedaald, zij het traag. In 2017 bedroeg het globale begrotingstekort nog steeds 3,6% van het bbp. Er was niet alleen sprake van een achteruitgang van de overheidsfinanciën, maar ook van de externe balans van Marokko als gevolg van het tekort op de lopende rekening, dat tegen eind 2012 bijna 9,5% van het bbp bedroeg. Slechts 30% van het tekort op de lopende rekening kon met directe buitenlandse investeringen gefinancierd worden en dus steeg de externe schuld, hoewel die al bij al relatief laag bleef. De verslechtering van de economische situatie verhoogde desondanks aanzienlijk de druk op de beoordeling van het politieke risico op (middel)lange termijn van Credendo, die momenteel nog steeds in categorie 3/7 blijft. De twee belangrijkste bronnen van niet-industriegerelateerde ontvangsten op de lopende rekening zijn particuliere overdrachten en inkomsten uit toerisme. Daarnaast is Marokko ook een netto-importeur van olie. Schommelingen in de olieprijs en in de instroom van ontvangsten uit toerisme en particuliere overdrachten zullen de externe balans dus blijven beïnvloeden. Naast de druk op de voorziene politieke risico's op (middel)lange termijn ging deze periode ook gepaard met extra druk op de kortetermijnliquiditeitspositie en wel om twee redenen. Ten eerste steeg het aandeel van de kortetermijnschuld. In 2009 bedroeg de kortetermijnschuld als aandeel van de inkomsten op de lopende rekening minder dan 10%, maar vanaf 2010 begon het te stijgen tot bijna 25% tegen eind 2017. Ten tweede stonden de deviezenreserves van Marokko onder druk: in 2009 dekten ze nog meer dan zeven maanden import, maar tegen eind 2012 waren ze nog slechts goed voor vier maanden. Daarna was er opnieuw een toename van de reserves en eind augustus 2018 waren ze goed voor ongeveer 4,8 maanden import. Dit heeft gezorgd voor extra druk op de beoordeling van het politieke risico op korte termijn, maar toch is de classificatie onveranderd gebleven in categorie 2/7, wat een weerspiegeling is van de nog steeds solide liquiditeitspositie van Marokko. De economische hervormingen werden doorgevoerd onder leiding van een IMF-programma. In 2016 ging het Koninkrijk akkoord met een ‘precautionary liquidity line’ (PLL) van 3,6 miljard USD op twee jaar; dit was het derde PLL-programma op rij (het liep af in juli 2018) en het werd louter uit voorzorg toegepast.

Een van de belangrijkste hervormingen van de regering was de afschaffing van energiesubsidies. In het verleden heeft het afschaffen van bepaalde subsidies al tot grote protesten geleid. In 1965 veroorzaakte een sterke verhoging van de suikerprijs massale rellen in Casablanca. Het parlement werd geschorst en de noodtoestand werd afgekondigd. Dit scenario herhaalde zich in 1981 en nogmaals in 1984. Nog niet zo lang geleden, in 2007, zorgde de verhoging van de broodprijs met 30% tot wijdverspreide protesten en rellen. Meer dan 300 mensen raakten daarbij gewond en later werd de prijsverhoging ongedaan gemaakt. De huidige afschaffing van subsidies gaat hand in hand met een duidelijke communicatiestrategie waarbij alle regeringsleden het belang van deze maatregel onderstrepen. Zo benadrukken zij bijvoorbeeld dat de brandstofsubsidies voornamelijk in het voordeel van bedrijven waren, aangezien slechts 15% van de subsidies naar gezinnen ging. Om de maatregelen aanvaardbaarder te maken, werden de de socialezekerheidsnetten uitgebreid. In 2014 werden subsidies voor benzine en industriële brandstof en bijgevolg subsidies voor diesel afgeschaft. Hierdoor was Marokko (samen met Jordanië) een van de weinige landen in de MENA-regio die volledig komaf maakten met brandstofsubsidies. In Marokko stond ook een vermindering van de voedselsubsidies op het programma, maar gezien de terugkerende protesten werd dit uitgesteld. Door de afschaffing van energiesubsidies kwam er fiscale ademruimte vrij, die dringend nodig was voor de overheidsbegroting. Zoals blijkt uit grafiek 2, besteedde de regering in 2011 meer dan 5% van het bbp aan subsidies en werd dit percentage tegen eind 2017 teruggeschroefd tot 1,4% van het bbp. 
 

De huidige Marokkaanse regering heeft nog een belangrijke hervorming gelanceerd, namelijk de hervorming van het wisselkoersstelsel. De dirham bleef gekoppeld aan een valutamand waarin de euro een gewicht van 60% en de US dollar een gewicht van 40% had. Ondertussen verbreedde de regering de band waarin de valuta verhandeld kon worden tegen de korf van 0,3 naar 2,5% aan weerskanten van de referentieprijs. De band werd weliswaar verbreed, maar de dirham bleef stabiel tijdens de rest van het jaar. De liberalisering werd samen met het IMF gelanceerd en moet worden beschouwd als een eerste stap in een verhoopte volledige vrije schommeling van de wisselkoers. Marokko bevindt zich in een uitzonderlijke situatie waarbij een valutahervorming wordt gestart op een moment dat de economie stabiel is en dus zal het even duren vooraleer men overgaat tot verdere vrije schommeling. Er is tijd nodig, want de grootste vrees van de regering is dat een snelle depreciatie van de valuta de inflatie de hoogte in zou jagen en dus opnieuw tot protesten zou kunnen leiden. De liberalisering van de wisselkoers is een positieve ontwikkeling aangezien een flexibelere wisselkoers als buffer kan dienen tegen externe schokken en ervoor zal zorgen dat de economie competitiever wordt.

Economische hervormingen stonden centraal in het beleid van de regering, maar zoals uit de protesten blijkt, heeft Marokko nog heel wat uitdagingen voor de boeg. De protesten in Marokko hebben zich voornamelijk in de armste gebieden afgespeeld, zoals de noordelijke Rif, waar betogers klagen over het gebrek aan investeringsprogramma's in deze gebieden. De protesten raken een gevoelige snaar in Marokko, namelijk dat de toegang tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs, vervoer en zelfs drinkwater erg verschilt van streek tot streek. Een aantal van de armere regio's in Marokko, zoals de oostelijke Drâa-Tafilalet-streek, hinken heel erg achterop in vergelijking met andere gebieden wat betreft de toegang tot gezondheidszorg en drinkwater. Deze ongelijkheid in publieke infrastructuur is ook terug te vinden in andere MENA-landen zoals Jordanië en Tunesië. Over het algemeen zien we dat vooral grootsteden aan de kust hebben kunnen profiteren van de economische groei. De impact hiervan vinden we terug in de basisontwikkelingsstatistieken, zoals de analfabetismegraad, die in landelijke gebieden 60% hoger ligt dan elders. In de grensstreek klagen mensen ook heel erg over een tekort aan jobs en economische ontwikkeling. Het feit dat de Marokkaans-Algerijnse grens gesloten blijft, speelt hierin een rol, aangezien daar geen handel wordt gedreven. Een ander probleem blijft de kwaliteit van het Marokkaanse onderwijssysteem. Er is weliswaar vooruitgang geboekt met de ingevoerde hervormingen, maar er zijn nog een aantal uitdagingen. Uit gegevens van de Wereldbank blijkt dat Marokko ondermaats presteert in vergelijking met gelijkaardige landen als het op alfabetisering en scholingsgraad aankomt.  Dat is vooral het geval in landelijke gebieden. De verbeteringen sinds de jaren 90 op onderwijsvlak zijn voornamelijk merkbaar in de grotere steden. De netto-inschrijvingspercentages voor het secundair onderwijs liggen bijvoorbeeld een pak lager in de landelijke gebieden, vooral bij meisjes.

De behoefte aan hervormingen in het onderwijssysteem was een van de vele redenen voor de hoge werkloosheidsgraad in Marokko. Geschat wordt dat 9% van de totale actieve bevolking werkloos is, maar bij de actieve bevolking onder de 24 jaar bedraagt de werkloosheidsgraad 22%. Mede doordat de werkloosheidsgraad de afgelopen jaren niet gedaald is, blijft dit een van de grootste bronnen van publieke ontevredenheid. In dat opzicht is Marokko geen uitzondering in de regio, zoals te zien in grafiek 3. Het onderwijssysteem speelt hierin een belangrijke rol, want Marokkaanse bedrijven klagen vaak over het feit dat de vaardigheden die studenten op school aangeleerd krijgen, niet overeenstemmen met wat die bedrijven nodig hebben. Er is nochtans een positieve noot: in andere landen, zoals Tunesië en Saudi-Arabië, heeft de regering de tewerkstelling bij de overheid uitgebreid als een manier om komaf te maken met de hoge werkloosheidsgraad en als antwoord op de sociale druk die de Arabische Lente teweeggebracht heeft. Marokko daarentegen heeft aan deze trends kunnen weerstaan en de overheidsuitgaven voor lonen als aandeel van het bbp is constant gebleven in de periode 2011-17, zoals blijkt uit grafiek 4. Uit gegevens van het IMF blijkt echter dat werknemers in de overheidssector in Marokko gemiddeld 100% meer verdienen dan werknemers in de privésector.

De boycotcampagne die in april van start ging, toont aan dat de Marokkaanse economie te kampen heeft met een ander fundamenteel probleem: te weinig concurrentie op de binnenlandse markt. Dit blijft een structureel probleem in het Koninkrijk aangezien de dominantie van de staat in bepaalde sectoren, samen met diepgewortelde belangen, de vrije concurrentie hypothekeert. Bedrijven die geboycot worden, zijn bijvoorbeeld bedrijven uit sectoren die door oligopolies gedomineerd worden. Volgens de betogers hebben bedrijven een grote invloed op de regering en slaagt deze laatste er niet in concurrentie te promoten, wat resulteert in hogere prijzen voor basisgoederen. Het gebrek aan een sterke onafhankelijke concurrentie-autoriteit en het feit dat Marokko slecht scoort (81e plaats) op de corruptieperceptie-index van Transparency International, spelen hierin een rol. Hoewel de boycotcampagne deze problematiek in Marokko duidelijk heeft gemaakt, kampen ook andere landen in de regio, zoals Algerije en Egypte, met hetzelfde probleem.

Tegelijkertijd is het belangrijk om te onderstrepen dat Marokko het beter doet dan de buurlanden als het op de beoordeling van het zakelijk klimaat aankomt. Marokko staat op de 69e plaats (op een totaal van 190 landen) op de 'Ease of doing business’-index van de Wereldbank in 2018, terwijl landen als Egypte (128e plaats) en Algerije (166e plaats) aanzienlijk lager scoren. Deze score toont aan dat de vorige twee regeringen grote vooruitgang hebben geboekt, want in 2011 stond Marokko nog op de 114e plaats. Als we kijken naar de subcomponenten van de 'Ease of doing business’-index van de Wereldbank, stellen we vast dat er nog ruimte voor verbetering is op het vlak van het 'verkrijgen van krediet', 'behandelen van insolventies' en het 'registreren van eigendommen'. Tegelijkertijd staat Marokko in de top 25 voor de 'afhandeling van bouwvergunningen' en het 'betalen van belastingen'. Dankzij de hervormingen van de regering is Marokko in vergelijking met 2011 99 plaatsen gestegen op de ranglijst van het 'gemakkelijk betalen van belastingen’.

Een visie die zich naar de buitenwereld richt als drijvende kracht achter de bbp-groei

Om het bbp nog verder te doen toenemen, was het in de strategie van de Marokkaanse regering van cruciaal belang om meer buitenlandse investeerders aan te trekken en de uitvoer te verhogen met een hogere toegevoegde waarde. Dit is een succesvolle strategie gebleken, want sinds 2000 is de uitvoer van industriële producten sterk toegenomen, met gemiddeld 8,3% per jaar. Sinds 2012 is er een grote verschuiving geweest naar producten uit de automobielsector en andere hightechgoederen, terwijl het belang van meer traditionele exportproducten zoals textiel is afgenomen. De drijvende krachten hierachter waren de industriële clusters rond Casablanca en Tanger, die zich hebben toegespitst op een op export gerichte automobiel- en luchtvaartindustrie. Hierdoor is het aandeel van medium- en hightechproducten op het totaal van de export van industriële producten gestegen van 20% in 2000 naar meer dan 50% vandaag. Ter ondersteuning van deze uitvoerstrategie zijn er aanzienlijke infrastructuurinvesteringen verwezenlijkt, zoals de ontwikkeling van de terminals van de haven van Tanger-Med, die worden gevormd door een haven en een grote industriële zone waar een aantal internationale bedrijven gevestigd zijn. Europa was veruit de belangrijkste uitvoerbestemming, maar Marokko heeft actief gewerkt aan de uitbreiding van zijn economische verbinding met het Afrikaanse continent. Dit gebeurde voornamelijk via buitenlandse directe investeringen op het continent (85% van de buitenlandse directe investeringen van Marokko is voor Afrika bestemd). Daarnaast is het aandeel van de totale uitvoer naar Sub-Sahara-Afrika gestaag toegenomen sinds het begin van de jaren 2000. We zien bovendien dat de financiële sector in Marokko zijn rol in Afrika aan het uitbreiden is; deze uitbreiding zal worden ondersteund door de liberalisering van de valuta.

Analist: Jan-Pieter Laleman – jp.laleman@credendo.com