Het lijdt geen twijfel: wat economische prestaties betreft, is Oost-Afrika de koploper van het continent. De belangrijkste reden hiervoor is de sterke bbp-groei van de landen in de regio. Van 22 tot 27 oktober 2018 vindt er een economische missie plaats in Tanzania en Rwanda.[1] Dit is een ideale gelegenheid om ons licht te werpen op deze twee landen die mooie handelskansen bieden voor ondernemingen die er hun activiteiten willen uitbouwen. Met een bbp-groei van respectievelijk 6% en 6,1% in 2017, zijn Tanzania en Rwanda twee sterk groeiende landen in Oost-Afrika en tegelijkertijd weten ze hun schuldenlast houdbaar te houden. Djibouti en Ethiopië doen het dan weer minder goed en worden momenteel beschouwd als landen met een verhoogd risico op een schuldencrisis. In Djibouti is de overheidsschuld bijvoorbeeld opgelopen tot 90% van het bbp door de investeringen in het kader van het ‘Vision Djibouti 2035’-project. En ook in Ethiopië zien we dat investeringen in overheidsprojecten geleid hebben tot een extreem hoge buitenlandse schuldenlast wanneer deze wordt vergeleken met de export van het land.

Investeringen in de infrastructuur

Over heel Sub-Sahara-Afrika zien we dat de landen enorm geïnvesteerd hebben in grote infrastructuurprojecten om hun economie een boost te geven: wegen, snelwegen, treinsporen, metro’s, stuwdammen, elektriciteitscentrales enz. Op lange termijn hebben die investeringen een positieve impact op de economie, maar enkel onder bepaalde voorwaarden. Zo moeten de infrastructuurinvesteringen het welzijn van de bevolking bevorderen, bijkomende inkomsten opleveren en rendabel zijn. Voor de zogenaamde ‘witte olifanten’ daarentegen, is dat niet het geval. Op dit moment zien we dat in een aantal Oost-Afrikaanse landen door de infrastructuurinvesteringen de buitenlandse en overheidsschulden de hoogte in gejaagd worden terwijl de regio schuldverlichting heeft gekregen in de jaren 2000. Tegelijkertijd zien we dat de projecten in landen zoals Ethiopië en Kenia nog niet geleid hebben tot een wezenlijke stijging van de exportinkomsten.

Risico’s en factoren die de schuldtoename nog erger maken

De toename van de buitenlandse schuld brengt uiteraard een aantal risico’s met zich mee. Allereerst maken de buitenlandse schulden in vreemde valuta de landen vatbaar voor wisselkoersschommelingen. Een depreciatie van de valuta – zoals we recent zagen in Turkije en Argentinië – kan de nominale waarde van de buitenlandse schuld in de lokale munt immers opdrijven. En dat zou de schuldenlast dus ook zwaarder maken in lokale valuta. Ten tweede stelt de hogere buitenlandse schuld de landen bloot aan risico’s die gelinkt worden aan een verminderde risico-appetijt voor opkomende markten. Dit risico kan realiteit worden als de ontwikkelde economieën hun monetaire beleid sneller dan verwacht normaliseren of als de opkomende markten als meer risicovol gepercipieerd worden. Ten derde zijn de meeste Oost-Afrikaanse landen nog steeds afhankelijk van landbouwproducten zoals koffie, thee en tuinbouw of andere natuurlijke hulpbronnen. De prijsdaling van die grondstoffen zou de exportinkomsten van die landen ook kunnen doen afnemen. Tot slot blijft het risico op nieuwe budgettaire ontsporingen bestaan, en dus ook het risico dat de overheidsschuld opnieuw toeneemt. Daarnaast is de overheidsschuld in landen als Kenia en Djibouti al hoog, waardoor ze minder marge hebben om een contracyclisch beleid in te voeren in geval van een ongunstige economische schok.

In de toekomst: opgepast voor de schuldenvalstrik

De terugbetalingscapaciteit van de landen zal de komende jaren afhangen van het evenwicht dat ze moeten vinden tussen de nodige investeringen in infrastructuur en een gezond schuldbeheer. Verdere budgettaire ontsporingen (zoals we de afgelopen jaren vooral zagen in Kenia en Djibouti) en buitenlandse leningen zouden immers kunnen wegen op de schuld. Anderzijds zouden nieuwe infrastructuurinvesteringen – als ze zorgvuldig geselecteerd worden en dus enkel de projecten met een hoog en realistisch rendement op investeringen weerhouden worden – de solvabiliteit van het land geen schade mogen toebrengen. Bovendien is het verhogen van de exportinkomsten ook een van de oplossingen om de buitenlandse schuld te kunnen terugbetalen.
 
Tanzania, het grootste land van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap na Ethiopië en het derde land wat bbp betreft, heeft een ontwikkelingsplan voor 2016-2021 opgesteld. In dit plan hebben ze ervoor gekozen om het aangaan van schulden voor de financiering van infrastructuurprojecten te limiteren. De regering geeft in de plaats daarvan de voorkeur aan publiek-private samenwerkingen voor grote infrastructuurprojecten. De moeilijke verhouding tussen president Magufuli en de buitenlandse investeerders riskeert deze investeringen wel in de weg te staan. De overheidsschuld en buitenlandse schuld van Tanzania blijven relatief gematigd. Credendo plaatst het land dan ook in categorie 5 (op een schaal van 1 tot 7, waarbij 7 de minst gunstige categorie is) voor het politieke risico op (middel)lange termijn omwille van het solvabiliteitsrisico.
 
Naast de beperking op externe financiering zouden de landen eveneens moeten proberen hun exportinkomsten te verhogen (waardoor de noodzaak om extern te lenen zou verminderen). Hierdoor zou ook de terugbetalingscapaciteit van hun buitenlandse schulden vergroten aangezien deze meestal moeten worden terugbetaald in buitenlandse deviezen. Dat is de weg die Rwanda is ingeslagen. Het land ondersteunt zijn export met intelligente beleidsmaatregelen. Het land van de duizend heuvels, dat al enkele jaren politiek stabiel is, heeft zo zijn goederenexport in 2017 op een jaar zien toenemen met 50%. Die stijging was gedeeltelijk natuurlijk te danken aan de prijsstijgingen voor de traditionele exportproducten zoals koffie, thee en mineralen, maar Rwanda is er toch ook in geslaagd om de toegevoegde waarde van de bestaande export te verhogen en het land is intussen de spil geworden voor de regionale verdeling van heel wat producten. Dankzij de recente verhoging van de lopende inkomsten en dankzij het relatief goede beheer van de overheidsfinanciën, blijven de vooruitzichten voor het politieke risico op (middel)lange termijn momenteel stabiel in categorie 6.
 
Oost-Afrika is een regio met heel wat potentieel voor economische ontwikkeling, en biedt mooie handelsopportuniteiten voor ondernemingen die er hun activiteit willen uitbouwen. In de toekomst zou de export in de regio vergemakkelijkt moeten worden door een reeks belangrijke infrastructuurprojecten. Maar tegelijkertijd is de overheidsschulden op een houdbaar niveau houden een noodzakelijke voorwaarde om economische groei op lange termijn te garanderen.
 
 
Perscontact
Nabil Jijakli
Group Deputy CEO
Montoyerstraat 3
1000 Brussel, België
E n.jijakli@credendo.com
M +32 478 25 11 33

----

[1] De missie wordt georganiseerd door de drie gewestelijke exportagentschappen FIT, AWEX en BIE.